Statenvertaling luisterbijbel mp3

Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods -Romeinen 10:17-

Statenvertaling luisterbijbel is gestart vanwege de vraag naar -en het gemis van- een gesproken versie van Gods Woord in de Statenvertaling, de Bijbelvertaling die door de eeuwen heen betrouwbaar is gebleken, en velen tot zegen geweest, en tevens veel invloed heeft gehad in het Nederlands taalgebied.

Van modernere vertalingen zijn op diverse websites audiobestanden terug te vinden. Een zoektocht naar een goed beluisterbare gesproken Statenvertaling bleef tot op heden vruchteloos. Ons is wel bekend dat de blindenbibliotheek er een heeft, maar die is niet gratis, en niet bestemd voor verspreiding (?)

Op deze pagina kunt u de .mp3 bestanden, die tot op heden beschikbaar zijn, kosteloos downloaden. Om niet ontvangen, geef ook om niet. Een tijdspad hebben we niet; zo de Heere wil en wij leven zal ergens in de toekomst het laatste Bijbelboek worden geplaatst. De bedoeling is om de oudtestamentische boeken en de nieuwtestamentische boeken ‘om en om’ te bewerken.

>>>mp3 bestanden per hoofdstuk <<< 

>>>mp3 bestanden per Bijbelboek <<<

Vragen of opmerkingen? Gebruik daarvoor ons email-formulier. Kom af en toe even terug om de vorderingen te volgen.

Wat is Sola Scriptura? 

Korte url voor deze site https://tiny.cc/bijbelmp3

trefwoorden: Statenvertaling voorgelezen, online, audio, voorleesbijbel, luisterbijbel, mp3, luisterboek, Statenbijbel

Welke Statenvertaling wij gebruiken?

Update 08-07-2016: Sinds vandaag is de laatste bewerking van de Statenvertaling in gebruik genomen, waarin een aantal correcties en verbeteringen doorgevoerd zijn ten opzichte van de door ons gebruikte editie. De nieuwe GBS-uitgave werd ons door een bezoeker ter beschikking gesteld.

Via email werd bovenstaande vraag gesteld. Het was even nazoeken, want de gebruikte Bijbel is een opnieuw ingebonden exemplaar uitgegeven door Jongbloed ergens medio jaren ’80, het schutblad met jaartal van uitgave heeft de restauratie helaas niet doorstaan die mijn echtgenote desondanks, alweer jaren terug inmiddels, zeer vakkundig heeft verricht. Restauratie was de enige mogelijkheid; de bladspiegel waar ik zo aan gewend was, werd niet meer gedrukt.
Opmerkelijk is dat mijn echtgenote een jubileum-uitgave heeft van het Nederlands Bijbelgenootschap, 1632-1987, 350 jaar Statenvertaling. Ook alweer jaren terug opnieuw ingebonden. Deze heeft exact dezelfde bladspiegel als mijn eigen Bijbel. Het is een duidelijk lettertype, tevens is de indeling handig om iets op te zoeken, instinctief weet ik meestal ongeveer waar ik moet zijn.
Ter vergelijking hebben we een zakbijbel van de Gereformeerde Bijbelstichting, en een letterlijk en figuurlijk gewichtige heruitgave van de Statenvertaling met kanttekeningen bekeken, uitgave GBS, vermoedelijk begin 2000. Wat hieruit, en uit de mailwisseling ons in elk geval duidelijk is geworden, is dat er tal val verschillende uitgaven van de Statenvertaling in omloop zijn. Dat is de belangrijkste reden dat we gestopt zijn met het lezen van alineakoppen, ze stemmen in de uitgaven niet overeen. Gehandhaafd blijft wel, om bij elk eerste hoofdstuk het opschrift van het Bijbelboek te lezen.

Over taalgebruik en naamvallen

In de Statenvertaling wordt -niet verwonderlijk- een oud-Nederlands taalgebruik gebezigd. De taal van die tijd maakte ook gebruik van naamvallen, een taaltechnisch verhaal waar we u op deze plaats niet mee willen vermoeien. De reden dat we woorden als “den” uitspreken als “de” heeft als reden dat we vandaag de dag geen naamvallen meer gebruiken. De betekenis blijft gewoon dezelfde. Het zal misschien minder gedragen klinken in de oren van sommigen, maar dat berust dan toch voornamelijk op wat men gewend is te horen. Ik ben jaren terug alweer, op nog vrij jonge leeftijd, vertrouwd geraakt met de Statenvertaling, voordien gebruikte ik de NBG’51 vertaling thuis, op school en in de kerk. Zowel de inhoud als de taal van de Statenvertaling staat nog steeds als een huis, en blijft daarom belangrijk. Ook vandaag.

Lees op de site van Trouw: Nog een oude naamval gebruiken? Een kwestie van opzoeken

Geschiedenis van de Statenvertaling

Deze ‘Geschiedenis van het ontstaan der Statenvertaling’ werd geschreven door dr. D. Nauta en verscheen voor het eerst in 1937 als bijdrage in het werk ‘De Statenvertaling 1637-1937’ bij De erven F. Bohn N.V., Haarlem. In 1977 kwam een reprint uit bij uitgeverij Ton Bolland, Amsterdam.

Op deze pagina is het eerste deel van deze ‘Geschiedenis’ opgenomen. In deze tekst is de spelling aangepast (met uitzondering van citaten) en zijn ‘tussenkopjes’ ingevoegd.

Met toestemming overgenomen van www.statenvertaling.nl

Mislukte pogingen

In het jaar 1607 kwam de Particuliere Synode van Noord-Holland, naar toerbeurt, te Amsterdam bijeen. In één harer vergaderingen, welke de twaalfde juni een aanvang namen, verscheen de zowel om zijn vroomheid als om zijn geleerdheid bij zijn tijdgenoten algemeen geachte predikant Wernerus Helmichius, die toen, sedert 1602, in Amsterdam stond, en de harten der gemeente in deze stad gewonnen had door de getrouwe vervulling van zijn ambtelijke arbeid, niet het minst in de dagen van een hevige pestepidemie.

Helmichius meldde zich bij deze kerkelijke vergadering aan voor de zaak der Bijbelvertaling. Gedurende de voorafgaande jaren was hij reeds meermalen in deze gewichtige zaak gemoeid geweest. Het laatst was dit gebeurd door de Zuid-Hollandse synode van 1599. Deze had hem, tezamen met Arnoldus Cornelisz, zijn Delftse ambtgenoot, aangezocht om het werk, waarmede Marnix van Sint Aldegonde was begonnen, doch dat ten gevolge van diens overlijden in 1598 onafgedaan was blijven liggen, voort te zetten. Het overleg met de overige provinciale synodes, welke bepaalde personen tot revisoren zouden aanwijzen, had die opdracht daarna tot een definitieve gemaakt. Veel opgeschoten waren de twee predikanten met hun werk nog niet, toen Arnoldus Cornelisz op de vijfde juni 1605 door de dood werd weggenomen. Want het was pas de eerste vrucht van hun gezamenlijke arbeid, welke Helmichius aan de synode te Amsterdam kwam aanbieden. Hij had bij zich de vertaling van het boek Genesis, die ten naaste bij voltooid was.

‘Wechbereyder’ van Willem Baudartius

willem baudartius
Willem Baudartius (1565-1640).
Schrijver van de ‘Weghbereyder’.
Vertaler voor het Oude Testament.

Maar er was meer, wat hem bewoog in het midden van deze vergadering zich te vertonen. Hij wilde hier zijn bezwaard gemoed ontlasten. Wat was er namelijk gebeurd? Een jaar te voren was in Gelderland een anoniem geschrift in het licht gekomen, dat tot titel droeg: ‘Wechbereyder op de Verbeteringhe van den Nederlantschen Bybel, die, door de ghenade des Heeren, corts aen den dach sal ghegheven worden, Daer in verhaelt ende aenghewesen worden vele oorsaken van de verscheydenheyt der oude Translatien.’ Het bleek afkomstig te zijn van niemand minder dan van Willem Baudartius, de geleerde predikant van Zutphen. Baudartius had toen onderhanden een verbeterde Nederlandse vertaling, bewerkt naar de nieuwe Duitse overzetting van Piscator. Voor deze uitgave moest nu het aangehaalde boekje de weg banen.

Over de verschijning van Baudartius’ geschrift was Helmichius, evenals trouwens vele anderen in den lande, verontwaardigd. Hij gevoelde zich inzonderheid gegriefd door sommige uitlatingen, waarin kennelijk op zijn eigen werkzaamheid als vertaler van de Bijbel werd gezinspeeld. Het gehele land door, zo betoogde hij voor de synode, verbreidde dat boekje het verhaal, “dat nu noch geenen grooten ijver tot de voorseyde verbeteringe des bijbels gebruyckt wort, met andere diergelycke impertinente ende den autheur geensins voegende redenen meer, als: van lancksame voortcruypinge ende geen proefken gesien te syn ende dergelycke.” Van het voornemen, een tegenbericht ter verdediging op te stellen, had hij, ter wille van de rust der kerken, afgezien. Thans beklaagde hij zich echter hier bij de synode, dat de auteur “indiscretelyck tegen de billyckheyt ende alle respect van de gemeene kercken Gods” gehandeld had. Want hadden niet de kerken in Holland, “als andere kercken stil saten, van anno 86 aff doorgaens jaerlicx met sonderlyngen yver ende vlyticheyt het voorseyde stuck van oversettinge met grooter moyten beloopen, besorcht ende met behoorlycke advertissement ende openinge, aen alle andere kercken gedaen, beyde met beraetslaginge ende met algemeyn ende willich consent derselven tot op desen huydigen dach voortgedreven, sonder dat de lancksame voortganck derselver saecke niet aen gebreck des yvers, maer aen andere oorsaecken tot haer ende aller vromer leetwesen was gelegen geweest”?

Over de verschijning van Baudartius’ geschrift was Helmichius, evenals trouwens vele anderen in den lande, verontwaardigd. Hij gevoelde zich inzonderheid gegriefd door sommige uitlatingen, waarin kennelijk op zijn eigen werkzaamheid als vertaler van de Bijbel werd gezinspeeld. Het gehele land door, zo betoogde hij voor de synode, verbreidde dat boekje het verhaal, “dat nu noch geenen grooten ijver tot de voorseyde verbeteringe des bijbels gebruyckt wort, met andere diergelycke impertinente ende den autheur geensins voegende redenen meer, als: van lancksame voortcruypinge ende geen proefken gesien te syn ende dergelycke.” Van het voornemen, een tegenbericht ter verdediging op te stellen, had hij, ter wille van de rust der kerken, afgezien. Thans beklaagde hij zich echter hier bij de synode, dat de auteur “indiscretelyck tegen de billyckheyt ende alle respect van de gemeene kercken Gods” gehandeld had. Want hadden niet de kerken in Holland, “als andere kercken stil saten, van anno 86 aff doorgaens jaerlicx met sonderlyngen yver ende vlyticheyt het voorseyde stuck van oversettinge met grooter moyten beloopen, besorcht ende met behoorlycke advertissement ende openinge, aen alle andere kercken gedaen, beyde met beraetslaginge ende met algemeyn ende willich consent derselven tot op desen huydigen dach voortgedreven, sonder dat de lancksame voortganck derselver saecke niet aen gebreck des yvers, maer aen andere oorsaecken tot haer ende aller vromer leetwesen was gelegen geweest”?

Eerdere pogingen

Het was duidelijk, dat de synode het geval niet zonder meer kon laten passeren. Wat haar in deze dan te doen stond? Helmichius meende daartoe vooral op vier zaken de aandacht te moeten vestigen. Eerst gaf hij een summier overzicht van de gehele geschiedenis, welke de zaak der overzetting in de Gereformeerde kerk had doorlopen. Hij herinnerde eraan, hoe deze kwestie van 1571 af, toen zij op de synode te Emden door de afgevaardigden uit Keulen ter sprake werd gebracht, [1] steeds aanhangig was gebleven, en “met hoe menichvuldige ende ernstige beraetslagingen soo in alle synoden generael als daerna in alle jaerlicksche Hollantsche synoden, met vlytiger disputatien, overwegingen ende beproevingen van verscheyden mannieren van oversettingen, selfs oock met kennisse ende eyndelyck met resolutie der E. Mogenden heeren Staten-Generael daerover was gehandelt geworden.” Na al dat overleg was door de kerken het besluit genomen, om uit het oorspronkelijk, uit het Hebreeuws en het Grieks, de Nederlandse vertaling te verbeteren, terwijl bij deze arbeid eveneens de beste overzettingen in andere talen zouden geraadpleegd worden; en voorts om deze taak aan één of twee personen toe te vertrouwen, wier werk daarna door de voor dit doel aangewezen deputaten der verschillende provincies zou worden overzien. Overeenkomstig dit besluit was toen gevolgd de benoeming eerst van de heer van Sint Aldegonde en, na diens overlijden, van Arnoldus Cornelisz en Wernerus Helmichius.

Aldus, luidde Helmichius’ conclusie, hadden alle kerken in het gemeen eendrachtig goedgevonden, en was het door de Staten-Generaal geapprobeerd. Daarom moesten die oude disputen niet opnieuw ter tafel worden gebracht, en behoorde evenmin een particuliere synode eigenmachtig van de eenmaal aanvaarde voet van behandeling in deze af te wijken. Bovendien kon uit het gegeven overzicht blijken, “waer ende by wien den yver ende aerbeyt int stuck van de oversettinge geduerichlyck is gebruijckt geweest ende dat het darom gantsch onbetamelyck is, dat een persoon alleen, eenen nieuwen ende voortijts by de kercken afgestemden voet van oversettinge voornemende, andere kercken off persoonen by gebreck van yver openbaerlyck coemt berispen.”

Vervolgens achtte Helmichius het geraden, wijlen Cornelisz en zichzelf bij de synode te verontschuldigen. Hoewel het aan hun “goede affectie” om de kerken met hun gaven te dienen niet schortte, en zij ook zo vlijtig mogelijk alle beschikbare tijd voor dit doel hadden aangewend, was het hun, tot hun groot leedwezen, niet gelukt meer te doen dan zij hadden verricht. “Men kan niet meer als men can,” zo had Helmichius trouwens, reeds drie jaren vroeger, aan zijn Delftse collega geschreven. [2] Vooral twee oorzaken bracht hij in het midden, om dat gemis aan productiviteit te rechtvaardigen. De ene oorzaak meende hij te moeten zoeken in hun ambtelijke arbeid: met de talrijke werkzaamheden, die aan dat ambt voortdurend verbonden waren, en waaraan zij zich ook onmogelijk konden onttrekken, waren zij erg bezet geweest. De andere oorzaak lag, volgens hem, in het moeilijke en hoogst gewichtige werk der overzetting zelf: dit vereiste “veel ende ledigen tyt”. Het zou daarom ook, in het belang van een krachtige voortzetting der zaak, overweging verdienen voor de toekomst bepaalde maatregelen te nemen. Nog stelde Helmichius er prijs op te verklaren, dat zij beiden zich nooit hadden ingedrongen, maar buiten hun weten, door de kerken zelf, tot deze arbeid geroepen en aangewezen waren. Zelf zou hij van zijn taak, indien de vergadering hiertoe mocht besluiten, gaarne – wij weten overigens, dat deze taak hem zeer lief was – ontslagen willen zijn, om voor andere personen plaats te maken.

Twee vertalingen onwenselijk

wernerus helmichius
Wernerus Helmichius (1551-1608).
Predikant te Amsterdam en vertaler.

Het derde punt, dat Helmichius in zijn betoog naar voren bracht, betrof het boekje van Baudartius. Herinnerende aan Baudartius’ bedoeling met deze uitgave, legde hij aan de synode de vraag voor, of het wel geraden en stichtelijk zou zijn “tweederley oversettingen des bijbels te gelyck in een selve landt van eenderley belydinge des geloofs ende dat noch door een particuliere aendryvinge in een provincie tegen den wille van alle dandere” tot stand te brengen, en of dat “geen vreemt bedencken onder het gemeene volck” geven zou. Bovendien waren er, zo zette hij in den brede uiteen, allerlei bezwaren tegen de door Baudartius gevolgde argumentatie in te brengen. Voorts kon wel, op grond van de ervaring, welke men in de andere Gereformeerde landen had opgedaan, als vaststaande worden aangenomen, dat de kerken met een vertaling, “die alleen stuckwys op enige merckelycke sware plaetsen verbeteringe doen soude, de reste latende soo het tegenwoordich is”, niet gediend zouden zijn. Daarom achtte hij het niet wenselijk, op Baudartius’ voorslag in te gaan. Het zou trouwens nog te bezien staan, of de door dezen bepleite methode wel tot een spoediger resultaat zou voeren dan men van de tot dusver betreden weg mocht verwachten; tenminste “indien se behoorlyck, ordentlyck ende rypelyck ende niet haestelyck op eens persoons oordeel tot groot peryckel van de gemeene kerken gedaen soude worden.”

In de vierde plaats kwam Helmichius eindelijk op de vraag, welke maatregelen de synode in deze eventueel zou moeten nemen. Zou het misschien overweging verdienen, zich omtrent deze kwestie te richten tot de Edelmogende Heeren Staten-Generaal, “dien dese saecke als de hooge overheyt van den lande eygentlyck ende voornemelyck neffens den kercken mede aengaet ende door welcker authoriteyt ende toedoen dit stuck sal moeten volvoert worden”? Hetzelfde zou mogelijk ook moeten gedaan worden bij andere colleges van magistraten, aan wie Baudartius immers zijn boek had opgedragen. Evenmin zou men mogen verzuimen aan enige particuliere synodes, inzonderheid aan die van Gelderland, over deze aangelegenheid te schrijven. Vooral zou het dan dienstig zijn, deze synode vriendelijk te verzoeken, “dat sy niet wil toestaen, dat door yemants particuliere werck ende besonder door openbare datelycke schriften, uyt haer provincie comende, andere kercken off persoonen in verdachtheyt gebracht ofte de gemeene resolutien aller kercken, als oock selfs haer voorgaende oude resolutie, met publycke ergernisse gebroocken off verstoort soude worden.”

Deux-aes-bijbel

Dit interessante betoog, hetwelk men terecht een zeer belangrijk en uitvoerig rapport heeft genoemd, [3] van een ter zake kundig man als Helmichius, heeft ons midden in de toen bij uitstek actuele kwestie der Bijbelvertaling verplaatst. De Gereformeerden in ons land waren toentertijd stellig in het bezit van een dergelijke vertaling, zelfs van meer dan één. De meest gebruikte was die, welke in 1562 te Emden is verschenen, en welke onder de naam van Deux-aes-bijbel bekendheid heeft verkregen. Haar geschiedenis en haar karakter moet ik in dit verband laten rusten; de belangstellende lezer zij voor dit onderwerp naar elders verwezen. Ik volsta hier met de opmerking, dat men over het algemeen met die Bijbelvertaling niet bijster ingenomen was. Marnix heeft zich wel een zeer krasse uitlating veroorloofd, toen hij in 1594 aan Johannes Drusius, de geleerde Hebraïcus te Franeker, schreef: “Ik houd de gebruikelijke vertaling voor zó gebrekkig, dat zij een geheel nieuwe bearbeiding eist. Er moet een nieuw werk komen. Want onder al de vertalingen, die bestaan – ik moet het eerlijk bekennen –, is geen zó ver verwijderd van de Hebreeuwse waarheid als die van Luther, uit welke gebrekkige Hoogduitse overzetting onze nog gebrekkiger Nederlands-Duitse is voortgekomen.” [4] Maar zakelijk kon hij met dit oordeel op de instemming van alle tot oordelen bevoegden staat maken. Reeds in 1581 had Helmichius, die toen te Utrecht stond, in een brief aan zijn vriend Arnoldus Cornelisz terloops opgemerkt, dat de nieuwe overzetting des Bijbels “voorwaer wel hoochnodich” was. [5]

Ook deze poging mislukt

Van het eerste begin af hebben daarom de kerkelijke vergaderingen – wij vernamen het uit de mond van Helmichius – met de zaak der Bijbelvertaling zich ernstig ingelaten. Het is niet nodig, alle gevoerde beraadslagingen en alle genomen besluiten over deze aangelegenheid hier in te lassen. Want het einde bleek telkens weer te zijn, dat het begeerde resultaat niet mocht worden verkregen. Alle arbeid in deze scheen slechts vergeefse moeite te zijn. Door menige tegenslag werd men telkens weer in de voortgang van dit werk belemmerd. Hier kwam bovendien nog bij, dat vooral gedurende de eerste tientallen jaren op de harten en geesten beslag werd gelegd door de inspannende zorg voor de meest elementaire levensbelangen, alsmede door de vervulling van talrijke staatkundige en kerkelijke besognes. De leidende figuren uit die periode hielden haast geen tijd over voor de uitvoering van andere zaken, als voor het schrijven van de geschiedenis der reformatie en voor het vertalen van de Bijbel, hoe gewichtig en noodzakelijk dit ook mocht wezen. De dagen waren er niet naar, om zich rustig te kunnen zetten aan dergelijke bezigheden van lange adem. Des te meer hebben die mannen, die, ondanks alle beletselen en tegenslagen, een onvermoeide ijver aan de dag legden in het behartigen van de zaak der Bijbeloverzetting, aanspraak op de bewondering van het nageslacht.

Van eenzelfde volharding gaf ook de synode van Amsterdam in 1607 bij vernieuwing blijk. Wat besloot zij namelijk, na Helmichius’ rapport te hebben aangehoord? “Na rype overdenckingen” volgde het eendrachtig besluit, dat aan de andere synodes inlichtingen zouden worden verstrekt omtrent de stand der Bijbelvertaling, ter verontschuldiging van de kerken en de personen, die daaraan tot dusver gewerkt hadden, en mede van Helmichius, “die nu noch aerbeyt, ja tot goet genoegen aller kercken.” Voorts nam de synode de nodige maatregelen, om het door Helmichius reeds afgewerkte gedeelte ten spoedigste aan de revisoren te doen toekomen. En wat eindelijk de voortzetting van deze arbeid betreft, daaromtrent was de synode wel van oordeel, dat er naast Helmichius meer personen tot vertalers moesten aangesteld worden, doch daar deze zaak eigenlijk tot de competentie der nationale synode behoorde, kon zij hierover niet nader handelen. Tegelijk was zij evenwel voortvarend genoeg, aan Helmichius op te dragen, dat hij met zijn werk “sooveel ende neerstelyck als doenlyck is” zou voortgaan, en dat hij zich zou beijveren “om in de text de eygen cracht der Hebreescher woorden, off sy schoon wat duyster souden vallen, te stellen, ende die duystere aen de cant in de aenteyckeningen door eenige verclaringe naeckter uyt te drucken.” Zelfs heeft de synode terstond nog pogingen aangewend, om enige verlichting van zijn lasten te verkrijgen, maar hierbij stuitte zij op het verzet van de zijde der Amsterdamse kerk.

De “goede hope”, welke de synode had gemeend aan de kerken te kunnen geven met het oog op de totstandkoming der Bijbelvertaling, ging niet in vervulling. Wel is Helmichius weer aan het werk getrokken. Wel heeft ook de kerkenraad hem daarna, dankzij vooral het taaie aanhouden van de deputaten der beide Hollandse synodes, van verscheidene werkzaamheden ontheffing verleend, zodat hij zich, behalve aan de bediening des Woords, bijna uitsluitend kon wijden aan het vertaalwerk. Maar lang heeft hij het profijt van deze dispensatie niet genoten. Want op de negen en twintigste augustus 1608 werd hij midden uit zijn arbeid weggerukt door de dood.

Het werk staat stil

Weer bleef toen, evenals bijna tien jaren tevoren bij het overlijden van Marnix, het werk der Bijbeloverzetting onafgedaan liggen. De kans op voltooiing scheen toen zelfs verder verwijderd dan ooit. Want de mogelijkheid om aanstonds enige voorlopige voorzieningen te treffen en de ledige plaats door een andere bekwame predikant te doen innemen, was ten enenmale uitgesloten. In het tijdperk tussen de jaren 1608 en 1618 hebben de Staten van Holland het bijeenkomen der synodale vergaderingen in hun gewest verhinderd.

herman faukelius
Hermannus Faukelius (1558-1625).
Assessor van de Dordtse Synode.
Vertaler voor het Nieuwe Testament.
Faukelius overleed voordat het
gezamenlijk werk aan de vertaling
begonnen was.

De kerken moesten zich, noodgedwongen, bij deze gesteldheid van zaken neerleggen. Er waren trouwens, gedurende de genoemde periode, andere, nog veel dieper ingrijpende kwesties, welke de volle aandacht der kerken opeisten. De hevige geschillen tussen Remonstranten en Contra-remonstranten hebben vanzelf de zaak der Bijbelvertaling naar de achtergrond teruggedrongen. Dat zij ook toen echter niet geheel in het vergeetboek is geraakt, blijkt onder meer uit het feit, dat Hermannus Faukelius, de bekende predikant van Middelburg, die het ‘Kort Begrip’ heeft opgesteld, in 1617 een verbeterde overzetting van het Nieuwe Testament in het licht gaf.

Eerst de grote synode van Dordrecht in 1618 heeft aan het langdurige tijdperk der mislukte pogingen om aan het volk een nieuwe Bijbel te verschaffen, een einde gemaakt. Dit wil echter niet zeggen, dat al het werken en streven van die meer dan vijf en veertig jaren – immers van 1571 af – geheel vruchteloos zou zijn geweest. Het tegendeel is, naar ik meen, in werkelijkheid het geval. Want behalve dat de Statenvertalers later van de papieren van Marnix en Helmichius hebben gebruik gemaakt, konden de kerken te Dordrecht bij het nemen van besluiten in deze hoogst gewichtige aangelegenheid beschikken over de brede en rijke ervaring, welke door die jarenlange beraadslagingen en pogingen was verworven. Ten aanzien van verscheidene vraagstukken, waarvoor het ondernemen ener nieuwe Bijbelvertaling altijd weer plaatst, had zich dientengevolge vanzelf een vaste en algemene overtuiging kunnen vestigen.

Nieuwe vertaling uit de grondtalen nodig

Vooral drie kwesties waren het, welke op deze manier reeds van te voren als uitgemaakt mochten worden beschouwd. In de eerste plaats was wel overtuigend gebleken, dat niet een herziening der bestaande overzetting, doch alleen een geheel nieuwe vertaling, uit de grondtalen der Heilige Schrift bewerkt, zij het ook in nauwe aansluiting bij de bestaande, aan de kerken voldoening zou geven. Het werk, dat men verlangde, moest zo goed en zo degelijk mogelijk worden uitgevoerd. Voorts was komen vast te staan, dat de kerken bij de keuze der mannen, aan wie het werk der Bijbelvertaling zou worden toevertrouwd, met de uiterste zorgvuldigheid wensten te werk te gaan. Zij moesten niet alleen wat hun wetenschappelijke capaciteiten betreft, voor deze zware taak volkomen berekend zijn, doch evenzeer in hun persoonlijke kwaliteiten het volle vertrouwen der kerken genieten. Dat de laatstgenoemde factor inderdaad een groot gewicht in de schaal legde, was in 1599 op een bijzonder sprekende wijze aan den dag getreden. De synode van Zuid-Holland verzocht toen aan de andere particuliere synodes personen aan te wijzen, welke voor de herziening van het werk van Cornelisz en Helmichius, aan wie nog Johannes Rogge, toen predikant te Grotelindt en daarna te Hoorn, een bekwaam Hebraïcus, werd toegevoegd, zouden zorg dragen. Zij drong er tegelijkertijd op aan, dat voor een benoeming slechts in aanmerking zou komen hij, “die den Catechismum, die in dese kercke gheleert wert, ende de Belydinghe des ghelooffs derselffde kercken sal onderschreven hebben, ende by der kercken een goet ghetuyghenisse sal hebben van eenen godtsalighen wandel, opdat alsoo de kercken verseeckert syn moghen van de gesondtheydt in de leere ende godtsalicheydt des levens by denghenen, dien sy dit werck vertrouwen.” In de derde plaats bestond er geen twijfel aan, of het grote werk der Bijbelvertaling zou slechts tot stand kunnen komen met de medewerking en de hulp der Staten-Generaal. Speciaal de bekostiging van deze omvangrijke arbeid zou ten laste van die Staten moeten komen. In deze zin hebben de synodes tot hen meermalen een verzoek gericht, hun “vertoonende hoe nodich ende nut dat sulx zij.” [6] Van hun kant hebben de Staten aan dit redelijke verlangen, dat geheel paste in het kader van de toen heersende betrekkingen tussen overheid en kerk, ook voldaan. Zo hebben zij voor de kosten van Helmichius’ onvoltooide arbeid een bedrag uitgekeerd van 300 gulden, 3 stuiver en 9 penningen. [7] Het was toen vrijwel een onmogelijkheid, buiten de Staten om, dit werk tot een goed einde te brengen. Vandaar ook dat Baudartius in de opdracht van zijn ‘Wechbereyder’ hen opwekte, het tot stand komen van een verbeterde Nederlandse vertaling te bevorderen, want daardoor zouden zij “een eeuwighen, onsterfelijcken lof bij alle naecomelinghen” verwerven.

De besluiten van de Dordtse Synode

Het eerste punt, dat op de vermaarde synode van Dordrecht in 1618 tot onderwerp van beraadslaging werd gemaakt, op grond van de door de synodes van Holland, Zeeland, Gelderland en Overijssel ingediende gravamina, betrof de zaak van de Bijbelvertaling. Het was op maandag 19 november. De zitting, waarin men met de eigenlijke behandeling der zaken een aanvang ging maken, werd door den preses, Johannes Bogerman, met een hartelijk en ernstig gebed geopend. Van eenvoudige en tevens diepe vroomheid getuigen zijn woorden, wanneer hij, uit naam van die achtbare vergadering van kerkelijke en politieke heren, van geleerden en theologen uit binnenland en buitenland, God aanroept:

Gebed van Johannes Bogerman

“Wij zijn Uw knechten, tot dit Uw werk door U geroepen, in Uw naam bijeengekomen. Van U alleen zijn wij in dit werk geheel afhankelijk. Zult Gij zovele harten, die op U vertrouwen, tot U opzien en Uw hulp in Uw eigen zaak afsmeken, teleurstellen en verlaten? Neen, Heere, dat zult Gij niet doen. Het tegendeel leert ons Uw Woord, en eveneens de Geest der aanneming tot kinderen en des geloofs, die Gij ons geschonken hebt. En al zoudt Gij niet op ons vooral acht geven (wat verre zij), zult Gij niet het oog slaan op de kudde Uwer weide, om wier wil wij hier bijeen zijn? Uw wijnstok is het, dien Gij geplant hebt met Uw hand … Maar waarlijk in onszelf zijn wij in al deze dingen één en al duisternis, en de onbekwaamheid zelve om iets goeds van heilzame aard te bedenken, te willen of te volbrengen. Wijs Gij dan, o Heere, in deze zware en hemelse arbeid ons de weg, die wij veilig kunnen inslaan, zonder gevaar vervolgen en op gelukkige wijze alsmede met een zuivere consciëntie ten einde toe aflopen. Geef ons, die in den naam Uws Zoons zijn vergaderd, overeenkomstig Uw beloften, Uw Geest, de Geest der waarheid, der wijsheid, der voorzichtigheid, der onderscheiding, des vredes en der liefde, als preses, als leidsman en als leraar. Open de ogen onzes verstands, ontsteek de fakkel der zaligmakende kennis in ons, en leid ons in Uw waarheid, opdat wij aanschouwen de wonderen Uwer wet. Maak onze wil vrij van alle aanklevende boosheid, wederspannigheid en halsstarrigheid. Buig en neig de wil tot die dingen, welke U welgevallig en aangenaam zijn. Wijd en heilig al onze begeerten ten Uwen gunste, opdat wij niets bedenken, overleggen, willen, verlangen, uitspreken en besluiten dan wat met Uw Woord overeenstemt, U aangenaam en Uw kerk bovenal nuttig is. Ontsteek ons in ijver voor Uw eer, in ijver voor Uw geboden, in ijver voor Uw kostbare waarheid, in ijver voor Uw huis, in ijver voor de vrede en de eensgezindheid, welke Gij wilt … Laat niet toe, o Vader, dat wij ooit, zelfs een haarbreed, hetzij naar links, hetzij naar rechts, van dat doel zouden worden afgevoerd door enige vleselijke begeerte of door wereldlijke overwegingen. Geef dat wij altijd mogen bedenken, dat wij bezig zijn voor het aangezicht van U en van Uw heilige engelen.”

Dit is de geest, in welke de synode haar werkzaamheden, ook voor wat de zaak van de Bijbelvertaling betreft, heeft aangevat.

Inleiding op de beraadslagingen

Op zakelijke wijze leidde Bogerman daarna de kwestie bij de vergadering in. Hij herinnerde aan het feit, dat men in de omliggende landen in het bezit was van een goede Bijbelvertaling, terwijl daarentegen de Nederlandse, die niet uit de bronnen was geput, doch uit andere vertalingen afgeleid, wemelde van fouten en vlekken. Ook wees hij er op, dat, blijkens onderscheidene besluiten der synodes, reeds lang de behoefte aan een nieuwe overzetting werd gevoeld, maar dat er tot dusver, ondanks “groote en excessive costen,” van alle aangewende moeite “niets perfects becommen” was. Hij stelde vervolgens met nadruk de noodzakelijkheid van zulk een vertaling in het licht. De Nederlanders mochten immers in deze heilige aangelegenheid bij andere natiën niet achterstaan. Ook wanneer men met tegenstanders, als de Anabaptisten en de Roomsen, kreeg te maken, moest men zich met meer vrucht en met minder vrees voor schaamte op de Nederlandse Bijbel kunnen beroepen. Waren er buitendien niet verschillende predikanten, die geen enkele taal machtig waren, en die dus geheel waren aangewezen op een vertaalde Bijbel; en moest daarom niet, mede in hun belang, gezorgd worden voor een zuivere overzetting, opdat zij uit de tekst geen onjuiste opvattingen zouden afleiden? Argumenten waren er genoeg, om de noodzakelijkheid van deze arbeid met klem te betogen. Grotere moeilijkheid zou het wellicht opleveren, precies aan te geven op welke voet het werk moest worden verricht. De preses eindigde met aan de vergadering drie vragen voor te leggen. Of het ontwerpen van een nieuwe Bijbelvertaling noodzakelijk en in het belang der kerk zou zijn? Op welke wijze zij het best tot nut en welzijn der kerken kon uitgevoerd worden? En aan hoeveel, en dan nader aan welke personen deze taak moest toevertrouwd worden?

Eenstemmigheid over de noodzaak

Ten aanzien van het eerste vraagpunt bleek er in de synode een grote eenstemmigheid te heersen. Feitelijk was er slechts één onder de aanwezigen, die een volstrekt afwijkende mening deed horen. Dit was Frederici, die behoorde tot de afgevaardigden van de Remonstrantse groep uit de provincie Utrecht, en die in het verder verloop der synode een plaats zou krijgen onder de, geciteerde Remonstranten. Hij durfde, gelijk de Zwitserse afgevaardigde Breytinger bericht, beweren dat de oude en gebruikelijke vertaling zonder meer moest behouden blijven, omdat men tot dusver alles, wat tot de kennis der zaligheid nodig was, uit haar kon putten. Enkele stemmen pleitten verder voor het aanbrengen van slechts enige verbeteringen in de bestaande Bijbelvertaling, om op deze manier het geven van elke aanstoot te vermijden. Maar de inheemse afgevaardigden waren in dit opzicht volstrekt niet bevreesd. Voor hen stond het integendeel vast, dat de gehele Gereformeerde kerk in Nederland ten hoogste dankbaar zou zijn voor een nieuwe overzetting. Caspar Sibelius, predikant te Deventer, merkte kernachtig op, dat hij het beter achtte een nieuw gebouw van bijbelvertaling op te trekken dan de wanden der oude, lang gebruikte overzetting op te lappen en te herstellen.

Op de bezwaren uit de kring der boekdrukkers, die van de oude vertaling, gelijk zij beweerden, nog wel 80.000 exemplaren in voorraad hadden, waarvan te Dordrecht alleen niet minder dan 15.000 zouden berusten, is de synode niet ingegaan. Eenparig sprak zij als haar oordeel uit, dat een overzetting uit de grondtalen der Heilige Schrift beslist noodzakelijk was, en wel vanwege de eindeloze fouten, waarvan de oude vertaling krioelde. Zij voegde er echter deze restrictie aan toe, dat van de gebruikelijke vertaling alles gehandhaafd zou worden, wat, zonder aan de waarheid of aan de zuiverheid en eigenaardigheid der Nederlandse taal te kort te doen, kon behouden blijven. In het bijzonder bij de historische boeken des Ouden en voorts bij alle boeken des Nieuwen Testaments zou hierop moeten gelet worden.

De wijze van vertaling

Feitelijk maakte ik met de laatste opmerkingen reeds de overgang naar de resultaten, welke de bespreking van het tweede vraagpunt heeft opgeleverd. De twee onderwerpen lopen dan ook geheel in elkander over, en laten zich in de praktijk van elkander niet losmaken.

In verband met de wijze van uitvoering der noodzakelijk geoordeelde vertaling zag de synode zich voor verscheidene vraagstukken geplaatst, welke om een principiële oplossing vroegen. Daartoe stelde zij enige regels en wetten vast, welke de vertalers bij hun arbeid zouden hebben in acht te nemen. Zij moesten zich stipt en nauwgezet aan de oorspronkelijke tekst houden; eigenaardige Hebreeuwse en Griekse zegswijzen moesten zij, indien de duidelijkheid er tenminste niet onder leed en het Nederlandse taaleigen het toeliet, in de vertaling overnemen. Leverde dit echter bezwaren op, zo mocht toch niet verzuimd worden, op de kant de letterlijke uitdrukkingen naarstig aan te tekenen. De toevoeging van aanvullende woorden in de tekst behoorde zoveel mogelijk vermeden te worden; en voor het geval dit niet ging, moesten die enkele woorden met een ander lettertype worden gedrukt en tussen haakjes geplaatst, opdat zij van de eigenlijke tekst goed te onderscheiden zouden zijn. Boven elk boek en elk hoofdstuk moesten beknopte en nauwkeurige inhoudsopgaven geplaatst worden, terwijl overal op de kant de gelijkluidende plaatsen der Heilige Schrift zouden aangetekend worden. Ook zouden korte verklaringen mogen opgenomen worden ter toelichting van duistere uitdrukkingen en ter verduidelijking der gevolgde vertaling; doch de toevoeging van leerstellige opmerkingen werd nodig noch raadzaam geoordeeld.

De apocriefe boeken

franciscus gomarus
Franciscus Gomarus (1563-1641).
Op de Dordtse Synode pleitte
Gomarus ervoor om de apocriefe
boeken niet in de vertaling
op te nemen.

Vrij wat discussie veroorzaakte de kwestie der apocriefe boeken. Een sterke stroming, vooral vertegenwoordigd door een gezaghebbend man als de hoogleraar Franciscus Gomarus, pleitte voor een algehele weglating dezer boeken. Maar na een grondige bespreking, waarbij tal van argumenten voor en tegen dit gevoelen werden aangevoerd, besloot de synode, met meerderheid van stemmen, ook de apocriefe boeken opnieuw uit het Grieks te vertalen, al zou hierbij niet die nauwkeurigheid in acht genomen behoeven te worden, welke bij de overzetting der canonieke boeken vereist was. Vooral de overweging, dat men in dit opzicht liever niet van het tot dusver door de andere Gereformeerde kerken gevolgde gebruik wilde afwijken, heeft hierbij gewicht in de schaal gelegd. De synode verzuimde echter niet tevens de nodige maatregelen te treffen, om het wezenlijke onderscheid tussen deze beide reeksen van boeken duidelijk te doen uitkomen. De apocriefen zouden een afzonderlijk titelblad krijgen, waarop met ronde woorden werd uitgesproken dat men met menselijke geschriften te doen had. Bovendien zouden de lezers in een voorrede over het gezag dezer boeken alsmede over de dwalingen, welke zij bevatten, zorgvuldig worden ingelicht. Met hetzelfde doel zouden eveneens aantekeningen op de kant worden gezet, speciaal bij die plaatsen, waarop de Roomsen, in strijd met de waarheid der canonieke boeken, gewoon waren zich te beroepen. Zelfs uiterlijk zou het verschil met de Heilige Schrift worden aangeduid, en wel doordien men voor de druk een kleiner lettertype moest bezigen, alsmede dit gedeelte geheel afzonderlijk pagineren. Eindelijk werd nog bepaald, dat de apocriefen niet tussen de boeken des Ouden en die des Nieuwen Testaments, doch achter alle canonieke boeken van het Nieuwe Verbond hun plaats zouden ontvangen.

Er volgden nog enige beslissingen, betrekking hebbende op belangrijke kwesties van meer speciale aard, welke ik hier laat rusten, omdat zij elders in dit gedenkboek vanzelf ter sprake komen.

Werkwijze van de vertalers

Het derde vraagpunt, dat aan de orde werd gesteld, raakte het aantal en de taakverdeling der te benoemen vertalers. Men werd het er over eens, dit werk aan een zestal uiterst bekwame en vrome theologen op te dragen, van welke drie de overzetting van het Oude Testament zouden ter hand nemen en de drie overigen die van het Nieuwe Testament alsmede van de apocriefen. Opdat deze personen zich ten volle aan de arbeid der vertaling zouden kunnen geven, achtte de synode het nodig, dat zij, gedurende die tijd, van alle andere functies en werkzaamheden werden ontheven. De tijd, voor het voltooien van hun werk benodigd, werd op vier jaren begroot. De synode besloot echter geen bindende termijn voor te schrijven, maar in dit opzicht alles over te laten aan de trouw en de diligentie van de vertalers. Men nam aan, dat zij drie maanden na afloop der synode zouden kunnen beginnen. Zij zouden vervolgens elk kwartaal, ten bewijze van hun ijver, het telkens door hen vertaalde gedeelte aan de Staten-Generaal moeten tonen, om het daarna aan de revisoren toe te zenden. De roeping van deze overzieners zou het zijn, indien zij soms in dat vertalen te traag voortgang maakten, hen ernstig tot grotere naarstigheid op te wekken. Nog besliste de synode, dat de vertalers bij hun arbeid van de gewone volgorde, waarin de boeken in de Heilige Schrift voorkomen, niet zouden afwijken. Zij achtte de gedachte, welke blijkbaar door sommigen werd verdedigd, om met de moeilijkste Bijbelboeken aan te vangen, niet raadzaam. Met meerderheid van stemmen werd voorts overeengekomen, dat de vertalers zich gezamenlijk in een academiestad zouden vestigen, waar zij van een bibliotheek konden profiteren en eveneens gemakkelijk de professoren in de theologie of in de Hebreeuwse en Griekse talen raadplegen.

Vereisten en benoeming van de vertalers

Voordat de synode nu tot de benoeming van bepaalde personen overging, gaf de preses, naar ik vermoed in aansluiting bij wat reeds op vroegere, particuliere synodes was gepasseerd, aan de leden nog een wenk. Hij vermaande hen, rekening te willen houden niet uitsluitend met iemands bekwaamheid als theoloog of zijn knapheid in de talen, doch minstens evenzeer met zijn vrome en heilige levenswandel, want anders, zo verklaarde hij, zou deze hoogstgewijde arbeid der Bijbelvertaling aan de kerk minder welgevallig zijn.

Gekozen werden daarna, voor het Oude Testament, Johannes Bogerman, van Leeuwarden; Willem Baudartius, van Zutfen; en Gerson Bucerus, van Veere; en voor het Nieuwe Testament, Jacobus Rolandus, van Amsterdam; Hermannus Faukelius, van Middelburg; en Petrus Cornelisz, van Enkhuizen. Voorts wees de synode voor al deze personen eventuele plaatsvervangers aan, alsook uit elk der verschillende particuliere synodes, met uitzondering alleen van die van Drenthe, welke, op haar eigen verzoek, van deze arbeid werd vrijgesteld, een overziener voor het Oude zowel als voor het Nieuwe Testament. Tevens werd een regeling getroffen voor het geval dat van de benoemde vertalers en revisoren iemand door de dood werd weggenomen of door andere omstandigheden verhinderd.

De zorg voor een zuivere vertaling

In de zitting van de zeven en twintigste november, dus acht dagen nadat zij er een aanvang mee had gemaakt, kwam de synode met de aangelegenheid der Bijbelvertaling gereed. Uit alles blijkt dat zij, bij het nemen van haar beslissingen, met buitengewone nauwgezetheid is te werk gegaan. Een bijna angstvallige zorg legde zij aan de dag voor de tekst der Heilige Schrift, om die zo zuiver en ongerept mogelijk in handen te geven van het volk dat zelf geen toegang had tot de oorspronkelijke talen. Het was haar eerlijk streven, alle menselijke bijmengselen te weren en het indragen van eigen gedachten der vertalers te voorkomen. Het ging er haar ten diepste om, gelijk Bogerman het in zijn inleidende rede zo treffend heeft uitgedrukt, dat men ook in de Nederlandse taal God zou kunnen horen spreken.

Verzoek aan de Staten-Generaal

Er is nog één handeling der synode in deze zaak, welke ik hier aan het eind heb te vermelden. Zij besloot namelijk, uit naam der Nederlandse kerken, tot de Staten-Generaal het verzoek te richten, dat deze hun medewerking zouden verlenen tot de tenuitvoerlegging der genomen besluiten. Om dit verzoek, evenals nog andere rekwesten naar aanleiding van verschillende synodale beslissingen, ter bevoegder plaatse bekend te maken, werden in de namiddagzitting van de 27ste mei 1619 aangewezen Johannes Bogerman, Hermannus Faukelius en Festus Hommius, die respectievelijk preses, assessor en scriba der synode waren, aan wie verder nog, uit het college der professoren, werd toegevoegd de Leidse hoogleraar Johannes Polyander. Voorts benoemde de synode een commissie, welke tot taak had de bedoelde zaken, zo nodig, ook in het vervolg bij de Staten-Generaal nader aan te dringen. Hierin werden naast Hommius en Polyander, blijkbaar in plaats van Bogerman en Faukelius, die, wegens de afgelegenheid hunner woonplaatsen, deze taak bezwaarlijk zouden kunnen vervullen, opgenomen de predikanten Henricus Arnoldi, van Delft, en Henricus Rosaeus, van ’s-Gravenhage.

Nadat de synode op woensdag de negen en twintigste mei, op plechtige wijze, haar zittingen had gesloten, dienden reeds de dag daarna de genoemde deputaten hun verzoekschrift ter vergadering van de Staten-Generaal, “onse gebiedende Heeren”, in. Voor zover het op ons onderwerp betrekking heeft, luidt dit request aldus: “Ende alsoo by dese Synode oock noodigh bevonden is, dat de Nederlantsche kercken, na het exempel van alle Gereformeerde kercken van andere Natien ende Talen, moghen hebben een goede ende getrouwe ‘Oversettinge des Ouden ende Nieuwen Testaments’ in goet Nederlandsch uyt de originele Talen uytgedruckt, (gelyck oock in voorgaende Synoden Nationael dickwils is geresolveert, ende volgens dien dit werck door ordre van uwe Hooch Mog.en by wylen den Edelen Heere van Sanctaldegonde, ende na hem van Wernerus Helmichius ende Arnoldus Cornelij begonnen is geweest) so heeft de Synode tot dien eynde, opt goed vinden van uwe Hooch Mog.en gedeputeert drij kerckendienaren tot de Oversettinge des Ouden Testaments, ende noch drij andere tot de Oversettinge des nieuwen Testaments ende der Apocryphe Boecken, de welcke om dit werck te beter te voorderen, ende des te spoediger tselve te moghen voltrecken, onderdes souden vaceren van alle kerckelycke diensten, ende in een plaetse tsamen besoigneren: Ende alsoo tot sulck een werck, volgens dese ordre, merckelycke Oncosten sullen gedaen moeten worden, so versoeckt de Synodus mede dat uwe Hooch Mog. gelieve dese ordre goet te vinden, ende daartoe te ordonneren sodanighe pennigen als tot draghen van deselve costen noodigh sal wesen, ende boven dien te schryven aen de respective kercken, daer de Dienaren tot dit werck gedeputeert, in dienst zijn, dat deselve geen swaricheyt en willen maecken, om deselve onderdes van hare diensten so langhe te licentieren.”

In afwachting van de uitvoering

Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad, voordat de belangrijke besluiten der synode geëxecuteerd konden worden.

Zich gehaast hebben de Hoogmogende heren niet, om de aanhangig gemaakte zaak ter hand te nemen. Want het ingediende verzoekschrift der synode is terstond weggeborgen in het archief. De drie maanden, welke de synode had aangenomen dat voldoende zouden zijn voor het nemen der voorbereidende maatregelen, zijn aangegroeid tot jaren. Dit uitstel was niet geheel onbegrijpelijk. Door andere belangen werd de aandacht der overheid in die jaren in beslag genomen. Eerst moest zij zich bezig houden met de deportatie der Remonstrantse predikanten en met allerlei maatregelen, welke met deze kerkelijke kwestie verband hielden. Daarna kwam, toen het twaalfjarig bestand ten einde liep, de hervatting van de oorlog met Spanje schatten geld voor zich opeisen.

Pogingen om te beginnen

festus hommius
Festus Hommius (1576-1642).
Scriba van de Dordtse Synode.
Nam de plaats in van Petrus
Cornelisz als vertaler voor
het Nieuwe Testament.

Intussen droegen de kerkelijke vergaderingen er zorg voor, dat de zaak der Bijbelvertaling werd warm gehouden. Op de Hollandse synodes kwam zij, jaar op jaar, ter sprake. Reeds in 1620 werd er, zowel op de synode van Noord-Holland te Alkmaar als op die van Zuid-Holland te Gouda, een gravamen over deze aangelegenheid ter tafel gebracht. “Of men niet, zo luidde de vraag in Gouda, ernstig sal aenhouden daert behoort, dat de oversetting des bijbels eerstdaeg voortgang hebben mochte?” Het besluit in beide provincies was, dat dit verzoek aan de deputaten, welke door de nationale synode van Dordrecht hiertoe waren aangewezen, zou worden doorgezonden, opdat zij bij de Staten-Generaal de nodige aandrang in deze zouden uitoefenen. In gelijke geest werd, het volgende jaar, door de synode van Rotterdam opnieuw besloten; men zou de genoemde deputaten vermanen “dat het selfde werck, soo seer nodich ende dienstich voor de kercken deser landen zijnde, doch mochte bij de hant genomen ende voltrocken worden.”

Het vermoeden is wel uitgesproken, dat deze mannen in het behartigen van hun taak niet ijverig genoeg zouden zijn geweest. [8] Ik geloof echter, dat dit verwijt ten onrechte tot hen wordt gericht, gelijk uit de verdere gang van zaken nog nader zal blijken. Thans haal ik alleen aan het getuigenis van één hunner, Festus Hommius, die in 1624 aan Faukelius berichtte, hoe hij, en zijn mededeputaten, pas weder hadden “aengehouden, gelijck (zij) in de voorgaende jaren dickwils gedaen hebben, by de Hooch Mog. Heeren Staten Generael om te moghen hebben haer Hooch Mogd goede Resolutie op de poincten bij de selve Synode aen hare Hooch Mogd opgelevert, voornamelyck op ’t Stuck vande Oversettinge des Bijbels.” [9] Ik twijfel er niet aan, of ook in de jaren 1620 en 1621 hebben zij aan de opdracht der synodes, met alle naarstigheid, gevolg gegeven.

De kerken hebben zich tegelijkertijd nog van een ander middel bediend, om het begeerde doel te bereiken. De synode van Haarlem in 1621 besloot namelijk er bij de Staten van Holland op aan te dringen, dat zij deze zaak wilden bevorderen en haar in de vergadering der Hoogmogende heeren ter tafel brengen. [10] Tevens verzocht men de synode van Gelderland, op dezelfde wijze in haar provincie te handelen. Aan dit verzoek heeft daarna de synode van Nijmegen in 1622 inderdaad voldaan, door bij het Hof van Gelderland in de aangeduide zin aandrang uit te oefenen. [11]

Voordat Gelderland zich toen hiermede had kunnen inlaten, hadden de synodale deputaten bij de Staten-Generaal reeds iets gedaan gekregen. Door deze Hoogmogenden, zo kon toch in datzelfde jaar op de synode van Gorinchem, alwaar Festus Hommius zelf als afgevaardigde der classis Leiden tegenwoordig was, gerapporteerd worden, was goede hope gegeven, dat door hen “tot die oversettinghe des bibels ordre gestelt zal worden”. Die “goede hope” bleek echter voorlopig niet meer dan een morgenwolkje te zijn. De begeerte naar de nieuwe Bijbelvertaling schijnt trouwens in de kerken niet overal even sterk geleefd te hebben. Althans toen de synode van Amsterdam in 1622 pogingen in het werk stelde, om uit alle particuliere synodes afgevaardigden bijeen te brengen, die de zaak bij de Staten-Generaal ernstig zouden bepleiten, was het resultaat niet bepaald bemoedigend te noemen. Want in het volgende jaar moesten de deputaten op de synode van Hoorn in hun verslag klagen, dat zij, met welke naarstigheid zij van hun kant ook waren te werk gegaan, alleen van Overijssel antwoord hadden ontvangen. [12]

Sixtinus Amama

Dat inderdaad verscheidenen tegenover de zaak ener nieuwe Bijbelvertaling een vrij koele houding innamen, hiervoor meen ik nog een ander bewijs te kunnen bijbrengen. In 1623 heeft Sixtinus Amama, die aan de Universiteit te Franeker hoogleraar was in de Hebreeuwse taal, onder de titel: ‘Bybelsche Conferentie’, een boek uitgegeven, waarin hij het gebrekkige der bestaande Nederlandse Bijbelvertaling aantoonde en het pleit voerde voor “de noodtwendicheyt der verbeteringhe deser Oversettinghe”. [13] Hij trachtte nu van te voren een aanbeveling voor dit boek te verkrijgen van de theologische faculteit te Leiden. In de missive, welke hij tot dat doel aan deze faculteit richtte, gaf hij onder meer uiting aan zijn verontwaardiging over het feit, dat het werk der nieuwe overzetting zo langzaam voortschreed. De schuld hiervan meende hij te moeten zoeken niet alleen bij de tegenstanders, die als voorwendsel gebruikten dat zulk een vertaling allerlei ergernis zou verwekken, of dat zij enorme kosten met zich medebracht, maar evenzeer bij sommige voorstanders, die de oude vertaling nog zo kwaad niet vonden. Amama’s bedoeling met zijn geschrift, zo verzekerde hij, was daarom tweevoudig. Hij wilde de Staten-Generaal en de Prins aansporen om de nieuwe vertaling te bevorderen, en tevens bij het volk en de halven “het ijs der ergernissen” breken, terwijl aan allen zou worden duidelijk gemaakt welk een grote schat een nauwkeurige vertaling wel betekende. [14]

Zijn er dus stellig mensen geweest, die om de geringe voortgang, welke de zaak der Bijbelvertaling had, niet treurden, het staat evenzeer vast, dat zij met deze mening in de leidende kringen der kerk over het geheel geen instemming vonden. In het aangehaalde boek van Amama staat een brief opgenomen, die de predikanten van Leeuwarden hem op de 19de november 1623 hadden geschreven. Zij spreken hierin hun hoop uit, dat de Generale Staten door zijn geschrift bewogen zouden worden, om de lang begeerde Bijbelvertaling door hun gezag eindelijk aan de kerken te verschaffen.

Heeft Amama met zijn boek in de aangegeven richting ook metterdaad enige invloed uitgeoefend? Dit valt bezwaarlijk met zekerheid uit te maken. In elk geval zien wij in 1624 de Hoogmogende heren ten opzichte van deze aangelegenheid een gunstige resolutie vaststellen. Maar ik voor mij neem eerder aan, dat hierop van nog wel zoveel invloed zal zijn geweest de aandrang, die de officiële vertegenwoordigers der kerk onvermoeid zijn voortgegaan op de bevoegde instanties te oefenen.

Nieuwe pogingen

Want de bewijzen zijn er, dat de bedoelde deputaten dit ook na 1622 hebben gedaan. Zij hebben toen zelfs een zeer krachtige poging aangewend om hun doel te bereiken. Dit geschiedde in opdracht der Zuid-Hollandse synode, welke in 1623 te Brielle vergaderde. In de handelingen dezer synode heeft Voetius, die haar als scriba diende, opgetekend, dat men de deputaten zou verzoeken nog eenmaal “de nootwendicheyt van dit soo treflijck werck” aan de Staten-Generaal te remonstreren, om dan vervolgens hun wedervaren aan alle particuliere synodes, ofwel aan haar deputaten, bekend te maken, “op dat dieselve met elcandren mochten delibereeren, wat vorder in de sake soude te doen staen”. Aan deze wenk is, gelijk aan de volgende synode te ’s-Gravenhage werd gerapporteerd, na herhaalde aanmaning van de kant der Zuid-Hollandse deputaten in werkelijkheid gevolg gegeven. Er is een remonstrantie opgesteld en daarna bij de Staten-Generaal ingediend. Het resultaat was, gelijk ik reeds terloops opmerkte, een bepaald besluit dezer Hoogmogende heren, dat op de elfde mei 1624 werd genomen.

Deze resolutie gaf echter bij lange na niet, wat de synode van Dordrecht indertijd met klem als haar begeerte had kenbaar gemaakt. Zij hield namelijk in, dat de benoemde personen voor zichzelf het werk van de vertaling zouden moeten aanvatten, en dat zij daarna, eens in het halfjaar, konden bijeenkomen om hun werk onder elkander te vergelijken. Daarom laat het zich verstaan, dat men zich op de synode te ’s-Gravenhage met deze regeling slechts kwalijk ingenomen toonde. Tot een zelfstandig optreden in deze zaak was die vergadering evenwel niet gerechtigd. De aangelegenheid raakte alle kerken in den lande gemeenschappelijk. Vandaar dat de synode besloot zich opnieuw te wenden tot de deputaten der nationale synode, om bij hen te bewerkstelligen, “dat diegeene, die tot de oversetting voorsz. geordonneert sijn, bij de anderen mogen comen, om te besien of sij de inhout der apostille ofte resolutie voorsz. sullen connen naercomen, offte een ander expedient middel connen beramen, opdat alsoo indien sij eenen goeden wegh connen vinden, elck van haer den Synodo waeronder hij resorteert sulcx aendiene, ende haer advijs daerop ontfangen hebbende, alsdan voorts met de andren overleggen, hoe sij dit nodige werck ten effecte sullen brengen.”

Inwilliging van het verzoek

Eerst in mei 1625 mocht het de bedoelden deputaten gelukken, deze vergadering tot stand te brengen. Hier bleken toen de aanwezige vertalers van oordeel te zijn, “dat se het werc niet en souden connen behoorlic aenvangen ende volbrengen, ofte sij souden moeten in een plaetse bij malkanderen sijn ende besoingeren.” Leiden werd hiertoe wel de meest aangewezen stad geacht. Daar woonden twee der vertalers, te weten Festus Hommius en de hoogleraar Antonius Walaeus, die de opengevallen plaatsen der overleden predikanten, van Petrus Cornelisz, en van Faukelius, zouden moeten innemen. En wat de overige vier betreft, dezen zouden gedurende de jaren, welke nodig waren voor de uitvoering hunner speciale opdracht, van hun gewone arbeid tijdelijk moeten worden ontheven en zich in Leiden moeten vestigen.

In deze zin hebben daarna de deputaten zich gehaast met de Staten-Generaal in overleg te treden. Gevolg hiervan was, dat hun verlangen, bij resolutie van de achttienden juli 1625, volkomen werd ingewilligd. Toen dit alles op de synode der Zuid-Hollandse kerken, welke, drie dagen later, te Woerden, onder het presidium van Festus Hommius, vergaderde, werd medegedeeld, toonde men zich over deze “goede resolutie” ten hoogste verblijd.

Die blijdschap was, na al de opgedane ervaringen, alleszins begrijpelijk en, vanwege het uitzicht, dat hiermede geopend werd op de verwezenlijking van de met zo heilige ernst genomen besluiten van de Dordtse synode, ten volle gerechtvaardigd.

Het werk kan beginnen

Thans kon met het eigenlijke werk der vertaling een aanvang worden gemaakt, of, juister uitgedrukt, kon dit werk met krachtiger energie worden aangevat en ten einde gevoerd. Want geheel stil gezeten hadden de vertalers in deze jaren van wachten niet. Er zijn verschillende aanwijzingen, waaruit dit valt op te maken. Ik deel hier alleen mede, wat dienomtrent op de synode van Gorinchem in 1622 is verhandeld. Men vernam in deze vergadering – en men kon het hier weten, want, gelijk ik reeds vertelde, Hommius had in haar midden zitting als afgevaardigde der classis Leiden – , dat “alrede bij enighe van de broederen, welcke in Synodo Nationali gestelt zijn tot de voorsz. oversettinghe, daerinne vrij veel is gedaen”. Dit bericht was toen aanleiding, dat de deputaten der synode verzocht werden, dat zij de genoemde broeders zouden “aenporren den loopenden een spore te geven, ten eynde dat hoochnodige werck moge tot dienst der kercken hier te landen eenmael voltrocken worden.”

Vele bijzonderheden van deze particuliere voorstudie zijn ons niet bekend. Zij zal, zonder enige twijfel, aan het moeizame werk, dat de vertalers in Leiden wachtte, ten goede zijn gekomen. Vast staat, helaas, eveneens, dat dit werk niet van álle verrichte voorstudie profijt heeft kunnen trekken. Want Faukelius, van wie men voor deze arbeid, terecht, grote verwachtingen koesterde, en die, gelijk Hommius hem schreef, “al over langhe in dat stuck geoeffent” was en daarvan “een goed proeffstuck” had geleverd, [15] werd kort te voren, op de negende mei 1625, door de onverbiddelijke dood weggenomen.

Noten

[1] De lof, die J. J. van Toorenenbergen (‘Philips van Marnix van St. Aldegonde Godsd. en Kerkel. Geschr.’, II, Inl., blz. XXXII) aan N. Hinlópen toezwaait, omdat deze de geschiedenis der Statenvertaling niet in 1618, doch in 1571 aanvangt, komt dus feitelijk reeds aan Helmichius toe.

[2] ‘Werken der Marnix-vereeniging’, Serie III, Deel IV, blz. 201.

[3] H. C. Rogge, ‘Joh. Wtenbogaert en zijn tijd’, I, blz. 194, noot 3.

[4] J. J. van Toorenenbergen, a.w., II, Inl., blz. XLIV; H. Kaajan, ‘De Pro-Acta der Dordtsche synode van 1618’, blz. 61, noot 2. – Ik wijs er op, dat Marnix hier spreekt over het Oude Testament. De vertaling van het Nieuwe Testament was aanmerkelijk beter.

[5] ‘Werken der Marnix-vereeniging’, Serie III, Deel IV, blz. 10.

[6] Reitsma en Van Veen, ‘Acta der Prov. en Part. Synoden’, II, blz. 324.

[7] H. C. Rogge, a.w., 1, blz. 194, noot 3.

[8] Dr. H. H. Kuyper, ‘De Post-acta’, blz. 287.

[9] Dr. P. J. Wijminga, ‘Festus Hommius’, Bijl., blz. XXI. De cursivering is van mij.

[10] N. Hinlópen, ‘Historie van de Ned. overzettinge des Bijbels’, blz. 84.

[11] J. Anspach, in: ‘De Navorscher’, XXVII, blz. 303.

[12] N. Hinlópen, a.w., blz. 85.

[13] Amama gaf in 1625 een verbeterde Bijbelvertaling uit; hierin nam hij voor het Nieuwe Testament de reeds vermelde vertaling van Faukelius uit 1617 op, “alsoo deselvige veel correcter is als de oude, ende van veel seer begeert ende gepresen wordt”.

[14] Dr. A. Eekhof, ‘De theologische faculteit te Leiden in de 17de eeuw’, blz. 42, 43 en 84*.

[15] Dr. P. J. Wijminga, a.w., Bijl., blz. XXII.

Op deze pagina is het tweede deel opgenomen van de ‘Geschiedenis van het ontstaan der Statenvertaling’ (1937) door dr. D. Nauta. In deze tekst is de spelling aangepast (met uitzondering van citaten) en zijn ‘tussenkopjes’ ingevoegd.

Met toestemming overgenomen van www.statenvertaling.nl

Een werk van lange adem

Op de dertiende november 1626, precies acht jaar na de openingszitting der Dordtse synode, vinden wij in een huis op de Papengracht te Leiden drie mannen bijeen. Het zijn de mannen, aan wie de eervolle en zware taak der vertaling van het Oude Testament was toevertrouwd. Zij zullen met deze arbeid een begin maken.

De vertalers voor het Oude Testament

Johannes Bogerman, de gevierde predikant uit Frieslands hoofdstad, de hoogst bekwame en invloedrijke voorzitter van de synode te Dordrecht, heeft de leiding. Hij heeft reeds de vijftig jaren bereikt, en maakt met zijn rijzige gestalte, zijn hoog voorhoofd en zijn sierlijk golvende baard een eerbiedwaardig voorkomen. Al een jaar lang bevindt hij zich in de sleutelstad, waar hij dit huis heeft betrokken. Stellig heeft hij zich gedurende dezen tijd beziggehouden met de voorbereiding van het werk, dat hem en zijn medevertalers noopte voor een geruime tijd van hun gewone arbeid en van de eigen familiekring te scheiden.

Verder ontmoeten wij hier de ons reeds bekende schrijver van de ‘Wechbereyder op de Verbeteringhe van den Nederlantschen Bijbel’, de geleerde predikant van Zutphen, Willem Baudartius, die als geschiedvorser zijn sporen had verdiend, hoe slecht hij ook mocht stileren, en die op zo uitnemende wijze het verstond de historie van het bevrijde Nederland te populariseren. Hij heeft reeds de elfde oktober 1625 van zijn magistraat verlof verkregen om zich naar Leiden te begeven. Maar pas op de veertiende april 1626 is hij hier gearriveerd; ik vermoed, dat zijn komst zal zijn vertraagd door de ziekte zijner tweede vrouw, Josina Mum, die in maart van dat jaar overleed. In de maand juli heeft hij, als correspondent der Gelderse synode, die van de Zuid-Hollandse kerken te IJsselstein bijgewoond; daar heeft hij aan de belangstellende vergadering kunnen meedelen, dat hij “zich reeds naar Leiden hadde getransporteert”.

Als derde van het drietal treffen wij Gerson Bucerus aan, één van de twee predikanten te Veere in Zeeland. Hij heeft indertijd door een geschrift, waarin hij het episcopalisme der Engelse kerk bestreed, zich het ongenoegen van koning Jacobus op de hals gehaald. Dit heeft hem echter de hoge achting, welke hij algemeen bij de kerken in Nederland mocht genieten, niet kunnen doen verliezen. Het heeft hem vrij wat moeite gekost, voor enige tijd ontslag uit de dienst zijner gemeente te krijgen. Eerst nadat de magistraat van de Staten vrijheid had ontvangen een derde predikant te beroepen, is Bucerus kunnen vertrekken. Hij is waarschijnlijk in het begin van september te Leiden aangekomen.

Werkwijze van de vertalers

johannes bogerman
Johannes Bogerman (1576-1637).
Vertaler voor het Oude Testament.

Na Bucerus’ komst hebben zij met elkander overleg gepleegd. Op de derde november zijn zij tezamen in ’s-Gravenhage geweest, om met de gemachtigden der Staten-Generaal te onderhandelen. De dag daarna hebben de Hoogmogende heren, op grond van de gevoerde besprekingen, verschillende besluiten genomen. De vertalers zouden het Oude Testament in vier stukken verdelen; na het eerste stuk, dat bij Genesis moest beginnen, te hebben bewerkt, zouden zij dit in handen der overzieners stellen; vervolgens zou in een verenigde vergadering der vertalers en overzieners de eindredactie worden opgemaakt; terwijl eindelijk dit afgewerkte stuk, na getekend te zijn, aan de Staten-Generaal zou worden overgegeven, die het bewaren zouden, totdat de gehele overzetting op deze wijze voor de druk gereed was gemaakt. [16] Elk hunner zou, boven het gewone traktement, een jaarwedde genieten van zeshonderd gulden, vermeerderd met driehonderd voor huishuur, en tweehonderd voor een afschrijver; bovendien zouden zij de verschotten aan vuur en licht in hun vergaderingen, alsmede aan boeken, vergoed krijgen. [17]

Thans zijn de drie mannen in Bogermans woning bijeen, om orde op zaken te stellen: tijd en plaats van vergaderen te bepalen, de te volgen werkwijze uit te stippelen en alles wat meer tot de goede regeling van dergelijke arbeid behoort, met elkander af te spreken.

In hun eerstvolgende vergadering, op de 24ste november, [18] werkten zij, om de eenparigheid van stijl en taal te behouden, het gehele eerste hoofdstuk van Genesis af. Maar in het vervolg hebben zij ieder Bijbelboek in drie delen gesplitst, waarvan dan elk hunner één deel voor zijn rekening nam, om het thuis te vertalen en van eventuele kanttekeningen te voorzien. Het resultaat van deze arbeid kwam daarna in de gemeenschappelijke vergaderingen in bespreking, waarbij vers voor vers in het Hebreeuws werd opgelezen en vervolgens met de voorgestelde overzetting nauwkeurig vergeleken.

Het spreekt vanzelf, dat de vertalers bij de bewerking van het boek Genesis gemak hebben gehad van de ter hunner beschikking gestelde papieren van Marnix en Helmichius, al hebben zij hun voorgangers niet slaafs gevolgd. Ook bij andere Bijbelboeken hebben zij trouwens wel eens profijt getrokken van dergelijke voorarbeid, die door sommigen, uit eigen aandrift, op dit gebied was verricht. In dit opzicht verdient met name de geleerde Vlissingse predikant Joos van Laren vermelding. Van diens particuliere overzettingen der boeken Job, Prediker en Daniël en de daarbij gevoegde kanttekeningen is door Bucerus en Baudartius een dankbaar gebruik gemaakt. Ook schijnen zij hem meermalen over moeilijke Hebreeuwse woorden te hebben geraadpleegd. Nog bij andere personen dan bij Van Laren hebben de vertalers soms aangeklopt om hun oordeel over een bepaalde, lastige Schriftuurplaats te vernemen. Zo won Bogerman eens Gomarus’ raad in over de vertaling van Psalm 55:19 en 23. Overigens hebben de overzetters niet verzuimd alle hulpmiddelen, welke in die tijd op dit gebied ter beschikking waren, te baat te nemen.

De vertalers voor het Nieuwe Testament

Tot dusver vertelde ik alleen van de predikanten, aan wie de overzetting van het Oude Testament was toevertrouwd. Ik moest afzonderlijk over hen spreken, omdat zij het eerst met hun gemeenschappelijke arbeid zijn aangevangen. Hun drie ambtgenoten, voor wie het Nieuwe Testament met de apocriefe boeken was bestemd, zijn tot dit werk pas later overgegaan. Natuurlijk sluit dit niet uit, dat zij, ieder voor zich, reeds eerder met hun taak zijn begonnen. Hommius althans schreef, nadat de Staten-Generaal in 1624 het eerste besluit tot uitvoering der Bijbelvertaling hadden genomen, aan Faukelius: “Ick sal mijn beste beginnen te doen, so veel als mijne occupacien en capaciteyt sullen toelaten… Wij hebben ’t lichste werk, laet ons toesien, dat wij wat goeds daer van maecken.” [19]

Festus Hommius, predikant te Leiden, die in 1619 bovendien tot regent van het Statencollege [20] aldaar was benoemd en als zodanig op de studenten een grote invloed uitoefende, was van dezelfde leeftijd als Bogerman. Niet minder dan deze genoot hij, als de onvermoeide kampioen voor de handhaving der Gereformeerde belijdenis in de dagen der Remonstrantse twisten, het vertrouwen der kerken. Hij was bovendien een uitstekend penvoerder, gelijk hij als scriba der Dordtse synode duidelijk had getoond, en gelijk hij, in een ander opzicht, aan de dag legde door zijn ‘Schatboeck’, dat het Nederlandse volk met Ursinus’ verklaring van de Heidelbergse Catechismus heeft vertrouwd gemaakt.

Naast hem stond voor de vervulling der desbetreffende taak geroepen Antonius Walaeus, die in de dagen der Dordtse synode nog aan de kerk van Middelburg was verbonden, maar sedert het jaar 1619 het hoogleraarsambt aan de Leidse Universiteit bekleedde. Hem had prins Maurits indertijd opgedragen om Oldenbarnevelt in diens laatste ogenblikken geestelijke bijstand te verlenen. Hij was een man, die ook bij tegenstanders als Hugo de Groot in bijzondere achting stond.

Voor dit tweetal, Hommius en Walaeus, die beiden in Leiden woonachtig waren, bestond er uit de aard der zaak geen onoverkomelijk bezwaar om tegelijk met de overzetters van het Oude Testament de arbeid te beginnen. De oorzaak, dat zij dit voorlopig moesten uitstellen, lag in de afwezigheid van hun medewerker. Dit was Jacobus Rolandus, die sedert 1603 als predikant aan de kerk van Amsterdam was verbonden en die als assessor in het moderamen der Dordtse synode had gezeten. Geboren in 1562, was hij onder de vertalers de oudste in leeftijd, al volgde Baudartius vrij dicht op hem.

Het mocht Rolandus niet direct gelukken van zijn kerk ontslag te krijgen om zich in Leiden te vestigen. Zowel van de zijde der overheid als van die des kerkenraads werden bepaalde voorwaarden gesteld. Maar dankzij vooral de druk, die door de deputaten der beide Hollandse synodes werd uitgeoefend, hebben de genoemde instanties ten slotte toegegeven, zodat Rolandus in oktober 1627 naar de sleutelstad kon vertrekken. [21] Zijn vrouw weigerde met hem mede te gaan, en is daarna, wegens de door haar ingenomen houding, in moeilijkheden met de kerk gewikkeld.

Het gezamenlijk werk begonnen

jacobus rolandus
Jacobus Rolandus (1562-1632).
Vertaler voor het Nieuwe Testament.

Zodra ook Rolandus zich te Leiden had gevestigd, konden de overzetters van het Nieuwe Testament met hun gemeenschappelijke arbeid beginnen. Op de synode van Delft in 1628 werd gerapporteerd, dat zij, hoewel later dan de anderen, “door seeckere verhinderinge”, thans aan het werk waren getrokken, en dat zij daarin “door des Heeren genade” zouden “diligenteeren”. Zij hebben blijkbaar afgesproken, dat elk hunner het gehele Nieuwe Testament zou vertalen, en dat zij vervolgens de resultaten met elkander zouden vergelijken, om zo in onderling overleg vast te stellen wat het beste was. Hun vergaderingen zouden zij houden ten huize van Rolandus. [22] Eerst nadat zij met hun vertaling van het Evangelie van Mattheüs gereed waren, en dit aan het einde van het jaar 1628 aan de Staten-Generaal hadden aangeboden, hebben dezen, bij resolutie van de vijfde januari 1629, hun jaarwedde vastgesteld, welke op hetzelfde bedrag als de vertalers des Ouden Testaments ontvingen, werd bepaald, slechts met dit verschil dat aan Hommius en Walaeus geen vergoeding voor huishuur behoefde uitgekeerd te worden. Bovendien ontving elk nog vijfhonderd gulden voor de arbeid, die zij thuis reeds hadden verricht.

Voordat Rolandus en de zijnen zich echter goed en wel op hun taak konden toeleggen, moest er een andere, belangrijke werkzaamheid worden volbracht. De vertalers van het Oude Testament waren tegen de zomer van 1628 met de bewerking der vijf boeken van Mozes zover gevorderd, dat dit gedeelte aan de overzieners kon worden toegezonden. [23] In verband hiermede oordeelden de beide colleges van overzetters het nuttig, zich omtrent de taal en spelling, welke zij zouden gebruiken, met elkander nader te verstaan. Zij hebben daartoe, in de periode tussen 7 juli en 19 september 1628, gezamenlijk vergaderd, zij het ook met een onderbreking gedurende de maand augustus. [24] Deze taalregels, welke in vervolg van tijd door de revisoren nog met verschillende opmerkingen aangevuld zouden worden, zijn bewaard gebleven, en hebben voor de bestudering der taal van onze Nederlandse Bijbel bijzondere waarde, gelijk elders in dit gedenkboek wordt uiteengezet.

Met krachtige en rusteloze ijver hebben de zes mannen aan hun zware taak voortgewerkt. Baudartius verzekerde eens aan Revius, de bekenden dichter-predikant van Deventer: “Ick en hebbe mijn leven lanck noyt so geblockt als ick nu in mijne oude daeghen doen moet.” [25] Toen hij deze woorden neerschreef, was hij reeds de zes en zestig gepasseerd, en van ledig zitten had hij, de man die te Zutphen, drie jaren aaneen, elke zondag, voor de Engelse bezetting had gepreekt, nooit gehouden.

Zonder moeilijkheden en tegenslagen is het de vertalers niet mogen gelukken de eindpaal te bereiken. Zij hadden, ten behoeve van de overzieners, zorg te dragen voor de vervaardiging van een zeker aantal afschriften der vertaalde Bijbelgedeelten. Nu bleek het een onoverkomelijk bezwaar op te leveren, de hiervoor benodigde bekwame afschrijvers te vinden. Vandaar dat toen, met goedvinden der Staten-Generaal, besloten werd de kopie te laten drukken. Ook met deze maatregel was men evenwel nog niet terstond geholpen. De drukker, met wie een contract werd afgesloten, hield zich namelijk niet aan de gemaakte afspraak. Dit had tot gevolg, dat, hoewel de vijf boeken van Mozes reeds in de zomer van 1628 gereed waren ter verzending aan de revisoren, Baudartius pas een jaar later, op de achtste augustus, aan Revius een exemplaar kon laten toekomen, met de betuiging van excuus over dit lange uitblijven, “also het bij onse schult ofte slofficheyt niet en is toegecomen”. [26]

Het overlijden van Bucerus en Rolandus

Een tegenslag van geheel andere en tevens van heel wat ernstiger aard, welke echter een Gomarus deed betuigen, dat hij in de wil des Heeren wenste te berusten, [27] was het overlijden van Bucerus, en daarna eveneens van Rolandus. Toen Bucerus de zevende augustus 1631 stierf, was hij bezig met de bewerking van Ezechiël, [28] terwijl elk der beide anderen eveneens één der grote profeten onderhanden had. Volgens de bestaande regeling zou Antonius Thysius, die toen hoogleraar was aan de Leidse Universiteit, zijn plaats moeten innemen. Nadat hij deze taak aanvankelijk had aanvaard, heeft hij zich echter spoedig weer teruggetrokken. Bogerman en Baudartius zijn toen gezwicht voor de aandrang der Staten-Generaal, om tezamen de overige arbeid voort te zetten en ten spoedigste te voltooien, “op dat soo een voortreffelick ende heylich werck, door het een ofte ander inconvenient, dat daer over soude mogen coomen, niet onder en blijve, tot merckelicke prejuditie ende naedeel van Godts kercke.” [29] Bogerman heeft daarna de vertaling van Ezechiël voortgezet, terwijl hij eveneens het grootste gedeelte der kleine profeten voor zijn rekening nam.

antonius walaeus
Antonius Walaeus (1573-1639).
Vertaler voor het Nieuwe Testament.

Op gelijke wijze werden, in 1632, eveneens de vertalers van het Nieuwe Testament in hun arbeid getroffen door de dood van Rolandus, die toen zeventig jaar was. Hommius en Walaeus hebben zich daarop tot de Staten-Generaal gewend met de vraag, of zij nu de secundus, namelijk Jodocus Hoingius, rector te Harderwijk, zouden oproepen, dan wel of zij gezamenlijk met het werk moesten doorgaan. Bij resolutie van de 22ste juni 1632 hebben de Hoogmogende heren in de laatstgemelde zin beslist. De synodes verenigden zich daarna met deze regeling, omdat, gelijk die der Zuid-Hollandse kerken uitsprak, “het werck vast ten eynde loopt.” Hommius en Walaeus hebben de arbeid op de gewone wijze voortgezet; om het te bespoedigen, hebben zij echter enige werkverdeling aangebracht in het opstellen van de kanttekeningen, waarmede zij tot Handelingen 8 waren gevorderd, en evenzeer in het vertalen der apocriefe boeken alsmede in het samenstellen van een register en het bijeenzoeken der gelijkluidende plaatsen. Zij spanden zich in om, ondanks hun verzwaarde taak, ten spoedigste gereed te zijn. Aan de synode van Brielle in 1633 rapporteerden zij, dat zij nu ook “des Saterdachs besoigneerden”.

Verzending van proefvertalingen naar de revisoren

Gelijk ik reeds even in het voorbijgaan heb opgemerkt, zorgden de vertalers dat de afgewerkte gedeelten regelmatig aan de revisoren ter bestudering werden toegezonden. [30] Die van het Oude Testament stelden vooraf een afzonderlijke memorie op, waarin zij allerlei inlichtingen verstrekten omtrent de inrichting van hun werk. Zij gingen hierbij met de uiterste zorgvuldigheid te werk, getuige een notitie als de volgende: “Op de netticheyt ende cierelyckheyt des drucks, als oock opt geen boven aen elck blat van den inhout der Capittelen met een woort ofte twee souden dienen gestelt, hebben wy voor dit mael niet gelet, vermits gebreck der druckerye ende om costen te vermyden. Op dese ende diergelycke dinghen salmen moghen letten, als het tot de publicatie, door des Heeren genade, soude komen.”

In dezelfde memorie ontvingen de revisoren een waarschuwing om het toegezondene aan niemand anders te laten zien, gelijk ook de vertalers zelf evenals de drukker dezelfde verplichting op zich hadden genomen. De reden van dezen maatregel was, dat er niets ontijdig zou uitlekken, “vermits de menichte van quaetwillighe menschen, die desen H(eyligen) arbeyt gaerne souden verhinderen of tot spot stellen.” [31] Wat wonder, dat Gomarus zich enigermate verstoord toonde, toen hij het pakje, waarin de vijf boeken van Mozes waren gesloten, te Groningen “open ende bloodt” ontving! [32] Blijkbaar hadden de vertalers dit eerste gedeelte van hun “nuttelicke ende noodelicke oversettinghe” aan Rudolphus Ovingius, die als correspondent der Groningsche synode de vergadering der Zuid-Hollandse kerken te Leiden in juli 1629 bijwoonde, meegegeven. Deze predikant der stad Groningen had toen de vrijheid genomen, het pakje open te doen “om wat te besien”. Gomarus betuigde toen in een brief van de 24ste september 1629, waarin hij deze dingen aan de overzetters mededeelde, zijn volle instemming met de bedoelde maatregel. Zelf heeft hij, gelijk hij er aan toevoegde, dat werk aan niemand laten zien, of er iets van laten verluiden dan alleen dat het op accurate en lofwaardige wijze was uitgevoerd. “Want, zo oordeelt hij, eer twerck teenemael voltrocken is, en is geen wysheydt te laten zien: alsoo daer verscheyde onrype ende ongunstighe oordeelen ontydich souden moghen uytrysen.”

Gomarus voldeed in datzelfde schrijven aan een wenk der vertalers, om eventuele opmerkingen over hun arbeid hun bekend te maken. Zijns inziens waren de inhoudsopgaven der boeken en hoofdstukken aan de lange kant, en konden ook verschillende kanttekeningen gevoegelijk iets worden ingekort. Hij eindigde zijn schrijven met de bede, dat God hen “met stercke gesontheydt ende synen Heylighen Geest” wilde bijstaan “om in het heylich werck te volherden, ende opbouwinghe syner kercke te volvoeren”.

Ook onder de overige revisoren hebben verscheidenen ongetwijfeld op soortgelijke wijze hun medeleven met de arbeid der overzetters getoond. Van sommigen hunner is ons dit met zekerheid bekend. Joos van Laren noemde ik reeds. De naam van Jacobus Revius mag ik er nog aan toevoegen. Baudartius schreef hem in 1631: “Wij prijsen Uwer E. neerstigheyt in het overlesen van ons werck, wenschen dat alle d’ander Heeren Revisoren mede soo neerstigh waren.” [33] Maar ik durf haast met zekerheid aannemen, dat niemand hunner in dit opzicht Gomarus is nabij gekomen. [34] Nadat hij het laatste stuk van het Oude Testament had ontvangen, berichtte hij, op zijn zeventigste verjaardag, aan Bogerman: “Hoe aangenaam mij uw brief was, hebben mijn bedienden genoegzaam kunnen bemerken, daar ik bijna van vreugde danste, toen ik de vertaling van de eerste zes kleine profeten, door u bewerkt, ontving. Ik heb God zeer gedankt voor het volbrachte werk en voor uw gezondheid; gij zijt daartoe van de hemel gesterkt. Mijn vreugde is nog vermeerderd bij het ontvangen van de overige zes, waaraan goede arbeid besteed is.” [35]

Belangstelling van de kerkelijke vergaderingen

Ook de kerkelijke vergaderingen lieten niet na, hun belangstelling te tonen. Inzonderheid de Zuid-Hollandse synode, welke hiervoor trouwens de meest aangewezene was, omdat Leiden binnen haar ressort was gelegen, heeft in dit opzicht een grote ijver ontwikkeld. De synode van Dordrecht in 1627 droeg aan haar deputaten op, de vertalers die reeds aan het werk waren getogen, namens haar te gaan begroeten, en haar voldoening over dit feit uit te spreken, hun toewensende “de verlichtinge ende rijcke gaven des H. Geestes.” Het volgende jaar mocht de synode van Delft, door bemiddeling harer deputaten, de dank van de vertalers ontvangen “voor hare sorge, die se heeft over den voortgang van dit werck, ende voor haren goeden wensch.” Meer dan eens hebben de kerken daarna de broeders in Leiden “met alle beleefheyt” vermaand, om in hun arbeid de gang te houden. Regelmatig brachten de deputaten rapport uit omtrent de precieze vorderingen van het vertaalwerk. En toen op de synode van Brielle in 1633 kon worden medegedeeld, dat het Oude Testament gereed was [36] en dat ook de vertalers van het Nieuwe Testament aanmerkelijk waren opgeschoten, verheugde de vergadering zich “over deses grooten wercks goet succes”. De deputaten kregen voorts in opdracht, de vertalers nogmaals te bedanken en hen te vermanen “tot alle vlyticheyt om eenmael dit lang gewenschte werck ten eynde te brengen.”

De revisie voor het Oude Testament

joos van laren
Joos van Laren (1586-1653).
Revisor voor het Oude Testament.

Was op deze synode, welke de 27ste juni werd geopend, gerapporteerd, dat men de revisoren van het Oude Testament tegen de eerste juli naar Leiden had samengeroepen, hun eerste vergadering werd evenwel pas op de negende dag dier maand, ten huize van Bogerman, gehouden. Behalve de beide vertalers waren hier tegenwoordig namens Gelderland Antonius Thysius, vroeger te Harderwijk, toen hoogleraar in Leiden; namens Zuid-Holland Johannes Polyander, eveneens hoogleraar aldaar; namens Noord-Holland Abdias Widmar, predikant te Uitgeest; [37] namens Utrecht Arnoldus Teeckmannus, predikant te Utrecht; namens Overijssel Jacobus Revius, predikant te Deventer; en namens Groningen Franciscus Gomarus, hoogleraar te Groningen. Aan de revisoren namens Zeeland en Friesland, die toen nog ontbraken, heeft het heel wat moeite gekost, ontslag van hun kerkenraden te verkrijgen. Joos van Laren, predikant te Vlissingen, wie nog volgens de acta des kerkenraads van de 22ste juli “plat afgeslagen wiert om als reviseur naar Leyden te gaan” – indien zij toestemden, vreesden de broeders dat zij van de Staten geen toezegging zouden ontvangen voor het instellen ener vijfde predikantsplaats –, maar die alleen verlof kreeg “voor zijn particulier” voor twee of drie weken te vertrekken, verscheen de dertigste dier maand in de vergadering. Hij is daarna echter toch tot het einde der handelingen kunnen blijven. Met Bernardus Fullenius, van Leeuwarden, die eerst op de vierde augustus arriveerde, was dit niet eens het geval. Precies een jaar later moest hij Leiden weder verlaten; de magistraat van Leeuwarden had gedreigd met intrekking van zijn traktement en met het voornemen in zijn plaats een andere predikant te zullen beroepen; want de kerk, die bovendien reeds zolang van Bogermans dienst was verstoken geweest, kon hem niet langer missen.

Bogerman werd met algemene stemmen tot preses verkozen, terwijl Polyander als assessor en Revius als scriba zitting namen. Men vergaderde des voormiddags van negen tot twaalf uur, behalve gedurende de weken vóór Fullenius’ komst, toen men om tien uur begon, en des namiddags van twee tot vier uur; hier werd, in de laatste drie weken van de arbeid, nog een uur aan toegevoegd. Stipt op tijd werd aangevangen, terwijl de telaatkomers in een boete van zes stuivers voor de armen vervielen. In de vergaderingen zelf kwamen slechts die zaken ter sprake, welke betrekking hadden op de vraag, of de juiste zin der Heilige Schrift in de vertaling was getroffen. Opmerkingen omtrent de Nederlandse stijl moesten bij de preses worden ingediend, die omtrent drukfouten, verkeerde aanhalingen van teksten en dergelijke bij de scriba, terwijl de beslissing over deze kwesties werd toevertrouwd aan een commissie, bestaande uit Bogerman, Revius en Gomarus. Voor het verrichten van deze bezigheid maakte men, van de eerste september af, de zaterdagmiddag vrij.

De berekening was, dat men in acht maanden met de revisie gereed kon zijn. Het viel echter tegen. Bogerman, die inmiddels benoemd was tot hoogleraar te Franeker, schreef in april 1634 aan de curatoren dezer Hogeschool: “de langdurigheid van de arbeid en dat onafgebroken voortdurend werken bij dag en nacht, niet zonder grote last van mijn zwakke gezondheid, hindert en kwelt geen sterveling meer dan mij, op wie, na zeven jaren werken bij de vertaling uitgehouden te hebben, nu de zorg en de moeite rust van het bestuur of het voorzitterschap in deze nationale bijeenkomst, waarin afgevaardigden, door de Staten-Generaal benoemd en door de Staten der afzonderlijke provincies gezonden, zitten van alle Nederlandse kerken, aan wie de vrijheid om afzonderlijk in naam van hun provincie raad te geven en hun gevoelen te zeggen, niet kan ontnomen worden; en niet allen hebben dezelfde gave van duidelijkheid en kortheid, welke zeer nuttig zou zijn om dit werk te bespoedigen. De menselijke gebreken van dien aard en de oorzaken der vertraging deels met zachtmoedigheid te vergeven en met geduld te dragen, deels met verstand en beleid te leiden en te verbeteren, dit is nu juist de kunst.” [38]

Op de eerste september 1634 kwamen de revisoren eindelijk met hun taak klaar. Aan de Staten-Generaal werd hiervan kennis gegeven; en nadat de gemachtigden, te weten Bogerman, Revius, Gomarus en Polyander, van hun commissie naar ’s-Gravenhage, op de achttiende september, aan de vergadering rapport hadden uitgebracht, zijn de revisoren weer huiswaarts gereisd. Reeds een week daarna bracht Gomarus in een brief uit Groningen aan Polyander dank voor de vriendelijkheid, welke hij in Leiden, met name van zijn kant, had ondervonden. [39] De revisoren ontvingen een vacatiegeld van vier gulden per dag alsmede vergoeding der gemaakte reiskosten, met dien verstande echter dat hierbij de vertalers, wier gewone uitkering doorging, buiten beschouwing bleven. Bovendien werd aan elk hunner, naar het schijnt, een bedrag van driehonderd gulden uitgekeerd voor de arbeid, die zij tevoren thuis reeds in het belang der revisie hadden verricht, terwijl zij voor de terugreis ieder honderd gulden ontvingen.

De revisie voor het Nieuwe Testament

Na de voltooiing van de revisie des Ouden Testaments, konden voor die van het Nieuwe de voorbereidende maatregelen worden getroffen. De vertalers waren toen met hun arbeid nog niet helemaal gereed. In dat jaar hadden zij tot aan Paulus’ brief aan de Colossensen de afgedrukte stukken aan de overzieners toegezonden. Met het drukken was men in de zomer van 1634 gevorderd tot de brief van Jakobus. Op de synode van ’s-Gravenhage, welke op de 18de juli aanving, luidde het rapport, dat zij zouden “vigileren hun werk zoo spoedig mogelijk af te doen”. Het staat evenwel vast, dat de revisoren na de zo-even vermelde zending geen nieuwe meer in hun woonplaatsen hebben ontvangen, doch dat het resterende gedeelte van het Nieuwe Testament, alsmede de Apocriefe boeken, hun eerst in Leiden zijn ter hand gesteld. [40]

johannes polyander
Johannes Polyander à Kerckhoven
(1568-1646).
Revisor voor het Oude Testament.

Op de elfde september 1634 richtten de Staten-Generaal tot hen de uitnodiging, om tegen de eerste november in Leiden te verschijnen. In de eerste vergadering, welke op de zestiende dezer maand ten huize van Walaeus werd gehouden, waren met de beide vertalers aanwezig: voor Zuid-Holland Henricus Arnoldi, predikant te Delft; voor Noord-Holland Willem van Nieuwenhuisen, rector te Haarlem; voor Zeeland Carolus Dematius, predikant te Middelburg; voor Utrecht Ludovicus à Renesse, predikant te Maarsen; en voor Overijssel Caspar Sibelius, predikant te Deventer. Professor Hendrik Alting, die door Groningen was afgevaardigd, was ten gevolge van zijn reis naar Duitsland niet in staat tijdig aanwezig te zijn; ik vermoed, dat hij niet eerder dan in de maand december is gearriveerd. De revisor namens Gelderland, Sebastiaan Damman, predikant te Zutphen, bevond zich in de vesting Gelder in Spaanse gevangenschap. Eerst nadat hij door de Staten van Gelderland met grote moeite was losgekocht, en in maart 1635 bij de zijnen teruggekeerd, kon hij zijn taak te Leiden gaan vervullen. De veertiende mei werd hij door zijn mede-revisoren in hun vergadering begroet. Fullenius eindelijk, die ook voor dit gedeelte der revisie de Friese kerken moest vertegenwoordigen, werd in Leeuwarden opgehouden. Hoewel hij aanvankelijk toezegde op de tweede februari te zullen komen, schijnt hij ruim een maand later nog niet verschenen te zijn; [41] en op de negentiende juli was hij reeds weer genoodzaakt afscheid te nemen.

Walaeus was voorzitter, Arnoldi assessor en Hommius scriba, terwijl de laatstgenoemde soms vervangen werd door Sibelius. De revisie van het Nieuwe Testament is op soortgelijke wijze als die van het Oude Testament uitgevoerd, zodat het niet nodig is hier alle bijzonderheden daarvan te herhalen.

Wij vernemen, dat allen een volledige afdruk, met wit papier doorschoten, voor zich hadden, en hierin naar believen hun aantekeningen konden maken. Aan de scriba werd echter opgedragen, in zijn exemplaar alle aangenomen wijzigingen aan te brengen, opdat naar de tekst in dit exemplaar de druk zou kunnen geschieden. In dit opzicht moet Hommius niet altijd even nauwkeurig hebben gehandeld. Want Sibelius vertelde later, “dat er zoovele en zooveel malen, in de verschillende hoofdstukken, woorden, zinnen en plaatsen der Schrift door de vertalers aangehaald, werden veranderd, omgezet en verbeterd, dat de scriba door de verschillende veranderingen en correcties overstelpt en in verwarring gebracht, ze nauwelijks kon bijhouden en invullen, voornamelijk omdat hij hoogbejaard, verzwakt en door langdurige arbeid in zijn kracht gebroken was. [42]

Op de laatste augustus 1635 werd de revisie van het Nieuwe Testament beëindigd. Daarna zijn nog de apocriefe boeken, zij het met veel minder grote nauwkeurigheid, door twee commissies, waarin de revisoren zich hadden verdeeld, overzien. Hoewel de pest in deze tijd te Leiden op de vreselijkste wijze woedde, zodat in één week, volgens Sibelius, 1500 mensen begraven werden, bleven alle revisoren met hun gezinnen gespaard. Nadat zij de tiende oktober hun taak hadden volbracht, hebben Walaeus, Damman en Arnoldi de dag daarna, uit hun naam, aan de Staten-Generaal rapport uitgebracht van de verrichte arbeid.

Oponthoud bij het drukken

Inmiddels waren de drukpersen voor het Oude Testament reeds in werking gesteld. Het heeft echter nog heel wat onderhandelingen gekost, voordat tot de druk – “het slot en als het ware de kroon van dit voortreffelijk werk”, gelijk Bogerman opmerkte [43] – in werkelijkheid kon worden overgegaan. Bogerman en Baudartius hadden van de Staten-Generaal voor de uitgave van het Oude Testament een octrooi verkregen voor de tijd van vijftien jaren, gelijk de beide vertalers des Nieuwen Testaments vervolgens eveneens hebben ontvangen. De slotsom van talrijke besprekingen is geweest, dat zij hun rechten, tegen een vergoeding van vijftien honderd gulden ten behoeve van elk hunner, aan de Leidse burgemeesters hebben overgedragen. Dezen hebben daarna met de weduwe Van Wouw een contract afgesloten, dat zij de druk te Leiden zou laten uitvoeren door Pauwels Aertsz van Ravesteyn, die hiertoe uit Amsterdam naar Leiden moest verhuizen. Op de tiende en de twaalfde februari 1635 zijn deze overeenkomsten in het Privilegieboek der stad Leiden opgenomen. [44]

Gevolg van een en ander was, dat Bogermans verwachting als zou de druk reeds in oktober 1634 beginnen, niet werd verwezenlijkt, en dat hij veel langer dan hij gedacht had, in Leiden moest blijven. Want van heengaan, aleer ook deze taak zou volbracht zijn, kon geen sprake wezen. Hieraan was, naar zijn mening, zoveel gelegen, “dat zonder zeer nauwkeurig toezicht bij de correctie, het ganse werk der translatie en revisie, tot een eeuwige disreputatie, alle lusten zou verliezen en tot groot misnoegen aller vromen en spot aller vijanden moeten verstrekken.”

statenvertaling 1637 genesis 1
Het begin van Genesis 1 in de eerste
druk van de Statenvertaling.

Na het oponthoud, dat door de onderhandelingen met de drukkers was veroorzaakt, volgde nog een felle winter, zodat het zelfs onmogelijk bleek met de pers te werken. Bovendien leverde het vrij wat moeite op, het benodigde materiaal aan goed papier en aan nieuwe lettertypen te verkrijgen. Maar ook aan deze moeilijkheden kwam, na enige tijd, een einde. In april 1635 werkte men, op twee persen tegelijk, aan het afdrukken der nieuwe Bijbelvertaling. Op de synode te Woerden, welke de 24ste juli werd geopend, rapporteerden de deputaten, dat de drukkers op de ene pers met de boeken Genesis en Exodus waren gereed gekomen en momenteel met het boek Leviticus bezig waren, en dat op de tweede pers Jesaja werd gedrukt. In januari 1636 was het werk gevorderd tot Koningen en tot Daniël. Toen ook het Nieuwe Testament voor de druk gereed was, werd er, dankzij de tussenkomst der stedelijke overheid, “omme mettet werc te spoeyen”, nog een derde pers bij in gebruik genomen. [45]

Wat de correctie der proeven betreft, zij gebeurde eerst door de drukker, én daarna nog een tweede en derde maal; voor het Oude Testament droegen achtereenvolgens Baudartius en Bogerman hiervoor zorg, en voor het Nieuwe Testament Hommius en Walaeus. Met het Oude Testament was men, volgens het rapport dat op de synode van Leerdam werd uitgebracht, in de zomer van het jaar 1636 gereed. In de maand juni van het volgende jaar kon eveneens de druk van het Nieuwe Testament worden afgesloten.

De Statenbijbel

Op de synode te Leerdam, die van 25 augustus tot 4 september 1636 werd gehouden, kwam de gewichtige vraag ter tafel, of het niet nodig zou zijn in de nieuwen Bijbel “twee treffelijcke praefatien” op te nemen, de eene uit de naam der Staten-Generaal, “als onder welckers authoriteyt ende beleyt dit werc is bij de handt genomen”, en de andere uit de naam der Gereformeerde kerken.

De vergadering besloot toen deze aangelegenheid bij de andere particuliere synodes aanhangig te maken, om hierover haar adviezen te vernemen. Vanzelf zou deze behandeling vrij wat tijd vergen. Vandaar dat de synode tevens aan de deputaat Rosaeus, de bekende predikant van ’s-Gravenhage, opdroeg, zich met de Hoogmogende heren Staten-Generaal in verbinding, te stellen, opdat men met het drukken van een voorrede voor de Bijbelvertaling enig geduld zou oefenen.

Naar het schijnt droeg de synode, bij het nemen dezer beslissingen, geen kennis van het feit, dat Bogerman en Baudartius reeds twee van dergelijke prefatiën ontworpen hadden en bij de Staten-Generaal ingediend. De eerste hiervan was gericht aan deze Hoogmogende heren en behelsde een kort overzicht van alles wat er met betrekking tot het vertalen van de Bijbel was voorgevallen. Zij verwierf, nadat enige wijzigingen waren aangebracht, hun goedkeuring en mocht gedrukt worden. Wat echter die tweede voorrede aangaat, welke zich richtte tot de Gereformeerde kerken, en waarin de noodzakelijkheid van een nieuwe vertaling uitvoerig werd aangetoond, zij behoorde, naar het oordeel der Staten-Generaal, aanmerkelijk bekort te worden. Wanneer dit was geschied, zou Baudartius haar opnieuw, in gewijzigde vorm, kunnen indienen; en daarna zouden de Hoogmogende heren hun definitieve uitspraak geven. Aldus had hun resolutie van de dertigste mei 1636 geluid.

Het is met deze zaak evenwel anders uitgelopen. Of men er zich in de kerken niet voldoende voor heeft geïnteresseerd? Zeker is in elk geval, dat op de eerstvolgende vergadering der Zuid-Hollandse kerken, op de synode van Dordrecht in juli 1637, geen enkel advies der andere particuliere synodes over deze aangelegenheid was ingekomen. Bovendien werd in deze vergadering de mededeling gedaan, dat de prefatiën reeds opgesteld waren en eerstdaags onder de pers zouden komen. Het was om deze redenen, dat de deputaten der synode het niet geraden hadden gevonden, zich verder met de bedoelde zaak in te laten.

Misschien hebben zij hieraan wel verstandig gedaan. Want ik acht het zeer de vraag, of zij, met het uitspreken van de kerkelijke wensen, bij de Staten-Generaal in dit opzicht zelfs het geringste resultaat zouden bereikt hebben. De Hoogmogende heren volgden hun eigen weg in deze. Op het uitstippelen van die weg schijnen de Staten van Holland een sterken invloed te hebben uitgeoefend. Alleen uit naam der Staten-Generaal zou in de nieuwen Bijbel worden opgenomen een acte van autorisatie, welke door de Raad van State was opgesteld. [46] Want men ging van deze overweging uit, dat het werk der Bijbelvertaling enkel en alleen door hun beschikking was uitgevoerd en geheel bekostigd. Vandaar dat ook hun alleen de dank en de eer voor dit werk behoorde toe te komen.

De genoemde acte van autorisatie werd de 29ste juli 1637 definitief vastgesteld, en daarna als voorrede in de Nederlandsen Bijbel opgenomen. Zij heeft de grond geleverd voor de gebruikelijke benaming van Statenbijbel.

Aanbieding aan de Staten-Generaal

In het kader der vermelde feiten past geheel, dat het eerste exemplaar van de nieuwen Bijbel, in paars fluweel gebonden en verguld op snee, aan de Staten-Generaal werd aangeboden. Deze plechtigheid geschiedde op de zeventiende september 1637. Bogerman, die ziek was en de elfde dier maand overleed, had nog Andreas Rivet, de bij uitstek representatieve figuur onder de theologen van zijn dagen, verzocht zijn plaats te willen innemen. Hij achtte het niet in overeenstemming met de waardigheid der handeling, wanneer slechts één der vertalers haar zou moeten uitvoeren. Die éne was Festus Hommius. Baudartius was verhinderd te komen. Walaeus, die, toen Bogerman schreef, eveneens ziek was, kon niettemin Hommius op de tocht naar ’s-Gravenhage vergezellen, om aan de plechtige aanbieding mede te doen.

andreas rivet
Andreas Rivet (1572-1651).
Rivet verving Bogerman bij de
presentatie van de Statenvertaling
op 17 september 1637.

Hommius had, des daags tevoren, per schip aan Rivet een koffer gezonden, waarin verschillende exemplaren van de Bijbel, die in ’s-Gravenhage moesten uitgereikt worden, geborgen waren. Het gezelschap heeft zich ongetwijfeld, in de namiddag van de zeventiende september, van Rivets huis in de Hoogstraat naar de vergadering der Staten-Generaal begeven. Hier hebben zij toen aan de Hoogmogende heren de fraaie Bijbel overgereikt, onder dankzegging “voor hunnen Christlyken iever en vaderlyke zorge, in het uitvoeren van dit voor de kerken van Nederland nodig werk, betoond”. [47]

Zo is de langgekoesterde begeerte der kerken in vervulling getreden, en de moeizame arbeid der vertalers en overzieners met een gezegend resultaat bekroond. Door Gods goedheid mocht thans dit geweldige werk in het openbaar worden gebracht; nu zou aan de dag treden, wat Revius in 1633 aan zijn ambtgenoot Sibelius had verzekerd: “dit werk is te heilig dan dat het iets zoude behoeven te duchten van de knabbelarijen van afgunstige kleine zielen.” [48]

De Statenvertaling verscheen als een monument, dat de eeuwen zou verduren. Zij zou aan geslacht na geslacht de verrassende gelegenheid geven te ontmoeten de eeuwige God, sprekende in de Nederlandse taal.

Noten

[16] Gelijk nog blijken zal, hebben de vertalers zich aan deze regeling niet gehouden, vermoedelijk niet zonder vooraf met de Staten-Generaal overleg gepleegd te hebben.

[17] Aan deze bepaling werd terugwerkende kracht gegeven, zodat Bogerman terstond f 1100 en Baudartius f 575 ontving en bovendien voor boeken nog resp. f 57 en f 62.

[18] H. Edema van der Tuuk, ‘Joh. Bogerman’, blz. 270, geeft als datum op 29 nov. en wordt hierin door anderen gevolgd. Hinlópen, a.w., blz. 100, noemt echter 24 nov.

[19] Dr. P. J. Wijminga, a.w., Bijl., blz. XXII.

[20] Het Statencollege, dat door de Staten van Holland was gesticht, diende voor huisvesting van studenten, die aan de Leidse Hogeschool studeerden.

[21] Rolandus werd op de 9de oktober 1627 honoris causa als student te Leiden ingeschreven. – In het ‘Album academicum’ komen de namen van verschillende vertalers en revisoren voor.

[22] Na Rolandus’ dood zullen Hommius en Walaeus waarschijnlijk ten huize van de laatstgenoemde, waar later ook de revisoren samenkwamen, hebben vergaderd.

[23] Baudartius berichtte aan de synode te Nijmegen (23-26 juli 1628), dat de vijf boeken van Mozes reeds voor de overzieners gedrukt waren; verg. J. Anspach, in ‘De Navorscher’, XXVII, blz. 303. Zie ook N. Hinlópen, a.w., blz. 107.

[24] Er is tussen 27 juli en 18 september blijkbaar niet vergaderd, verg. N. Hinlópen, a.w., Bijl., blz. 96, 101. – Vermoedelijk heeft men omstreeks deze tijd geregeld elk jaar een vakantie genomen.

[25] ‘Arch. voor Kerkel. Gesch.’, V, blz. 182.

[26] ‘Arch. voor Kerkel. Gesch.’, V, blz. 177.

[27] G.P. van Itterzon, ‘Franc. Gomarus’, blz. 255, 428.

[28] Hij was gevorderd tot hoofdstuk 21.

[29] ‘Arch. voor Kerkel. Gesch.’, V, blz. 193.

[30] Er werden 18 exemplaren gedrukt; verg. W. P. C. Knuttel, ‘Acta der Part. Synoden’, I, blz. 300.

[31] Om deze zelfde reden gaven de Staten-Generaal het hun vertoonde exemplaar na visie terug.

[32] G. P. van Itterzon, a.w., blz. 254, 439.

[33] ‘Arch. voor Kerkel. Gesch.’, V, blz. 182.

[34] Gomarus zelf sprak van een “harden en bitteren arbeid”, die hij gedurende vier jaren aan het private revisie-werk had ten koste gelegd. Voor zichzelf had hij minstens driemaal het Hebreeuwse Oude Testament doorgelezen; verg. G. P. van Itterzon, a.w., blz. 258, 259, 431.

[35] G. P. van Itterzon, a.w., blz. 256, 429, 430.

[36] Alleen restte nog “het maecken van twee registers, de chirographia Palestinae, de icones, om uut te beelden den tempel ende de vaten des tempels, ende een tractaet van de ghebruyckelijcke mate ende ghewichte der Joden”; maar men hoopte hiermede voor de beëindiging der revisie gereed te zijn.

[37] Widmar was, na het overlijden van Rolandus, door de Noord-Hollandse synode van 1632 als revisor benoemd. Hij ontving pas op de 13de februari 1633 de gedrukte vertalingen. Dag en nacht had hij sindsdien gewerkt, terwijl hij allerlei andere arbeid opzij zette.

[38] H. Edema van der Tuuk, a.w., blz. 274, 275.

[39] G. P. van Itterzon, a.w., blz. 257, 430.

[40] Dr. J. P. Wijminga, a.w., blz. 323, noot 2.

[41] N. Hinlópen, a.w., Bijl., blz. 142, 143. – In het ‘Biogr. Woord. van Protest. Godg. in Nederl.’, III, blz. 145, wordt medegedeeld, dat in 1636 aan Fullenius een verlof van twee maanden werd verleend, tot correctie der drukproeven. Dit gegeven laat zich echter in de ons bekende feiten moeilijk opnemen. Ik vermoed daarom dat het bedoelde verlof verleend is voor het deelnemen aan de revisie.

[42] Dr. P. J. Wijminga, a.w., blz. 325. – Als Hommius afwezig was, tekende Sibelius de wijzigingen aan; maar Hommius moest die daarna weer in zijn exemplaar overnemen, en in dit opzicht schijnt hij niet altijd getrouw geweest te zijn.

[43] H. Edema van der Tuuk, a.w., blz. 278.

[44] Met de vertalers van het Nieuwe Testament is deze overeenkomst opgemaakt op de 2lste juni 1636.

[45] W. P. C. Knuttel, ‘Acta’, II, blz. 45; G. P. van Itterzon, a.w., blz. 258, 433.

[46] De Staten-Generaal droegen aan de Raad van State ook op, om uit de beide door de vertalers ontworpen voorreden er een, gericht tot de lezers, samen te stellen. Hiervan is echter in werkelijkheid niets gekomen.

[47] De Staten-Generaal vereerden aan elk der vertalers een bedrag van f 150, terwijl de erfgenamen van Bucerus f 100 ontvingen. – Bogerman kreeg nog een extra-toelage van f 500.

[48] E. J. W. Posthumus Meyjes, ‘Jacobus Revius’, blz. 62.